Visa-run

Een paar dagen geleden moesten we voor de tweede keer het land uit om ons visum te verlengen. Reizen valt niet mee in dit jaargetijde: storm, regen, onweer en soms alles tegelijk. Kort voor vertrek sloeg zelfs de bliksem in ons modem.

De reis begon met een boottocht van 2,5 uur naar het vasteland over een woelige zee. Wij bleken, als ware afstammelingen van een zeevarend volk, goed bestand tegen de hoge golven. Maar menigeen aan boord werd zeeziek. Bij aankomst moesten we over een hoge steiger van wel 100 meter lengte naar de wal krabbelen. Over ongelijk gespijkerde, hier en daar ontbrekende, smalle planken die door de regen spekglad waren geworden. Je leert hier om met een minimum aan bagage te reizen.

Inmiddels brak de schemering aan, extra vroeg vanwege de bewolking. Een dubbeldekkerbus van de rederij bracht ons in een half uurtje naar Chumporn, de provinciestad die voor de bewoners van Koh Tao geldt als ‘de stad’. En inderdaad, alles wat hier op het eiland onvindbaar is, kan je daar krijgen. Na drie dagen keerden we dan ook terug met spullen waar ik al maanden naar zocht: een telefoontoestel, een strijkijzer, een DVD-speler en een elektrische rijstkoker.

Het hotel dat aan de overkant ligt van het rederijkantoor wordt gerund door een Chinese familie, die nauwelijks Engels spreekt. De volgende ochtend moesten we heel vroeg op. Om 06.00 uur zouden we voor de deur van het hotel worden opgehaald door een minibusje dat ons naar Birma zou brengen en weer terug. Maar er kwam niets of niemand opdagen. De slaperige nachtportier kon niets voor ons doen vanwege het taalprobleem. Het rederijkantoor stuurde ons eerst het bos in alvorens hulp te bieden.

Uiteindelijk kwam er een vrouw op een scooter aanrijden die met veel geglimlach (een teken van schaamte) ons meenam naar het plaatselijke busstation. Dat bleek een kantoortje waarvoor een paar minibusjes geparkeerd stonden. Ze kocht kaartjes voor ons en zei dat een van die busjes ons naar Ranong, een havenplaats aan de andere kant van de Thaise zuidpunt, zou brengen vlak tegenover de kust van Birma. In Ranong werden we opgevangen door een collega die ons verder zou helpen.

Die busjes gaan in principe ieder uur, op voorwaarde dat er genoeg passagiers zijn. We hadden geluk, om 07.00 uur reden we weg. Wij waren de enige ‘farang’ (zo heten hier buitenlanders; het is een verbastering van ‘français’ en wordt uitgesproken als ‘falang’ omdat ze de r niet kunnen zeggen). De rit duurde twee uur en voerde door een glooiend bedwelmend groen landschap. Ook al is het november, alles staat in bloei.

In Ranong werden we overgeladen in een ander busje dat stopte op een druk marktplein. Daar moesten we uitstappen en werden tussen alle kraampjes door geleid naar de waterkant, waar een douanekantoortje bleek te zijn. Binnen een handomdraai werden we Thailand uit gestempeld. De bedoeling was dat we over het water, waar het krioelde van platte bootjes die hele mensenmenigtes af- en aanvoerden, naar de kust van Birma zouden varen om daar in- en ook weer uitgestempeld te worden. Alleen moesten we een paar uur wachten tot er genoeg farangs waren die tegelijk met ons uit- en weer ingevoerd zouden worden.

Toen pas drong het tot ons door dat we midden op de visafslag beland waren. Die ochtend was juist de vissersvloot binnengelopen die zijn vangst aan land bracht. Zelden heb ik zoveel vis bij elkaar gezien. In alle formaten en de meest fantastische kleuren. Enorme tonijnen werden door vier man tegelijk op vrachtwagens getild. Bergen garnalen, manden vol inktvis. En zo vers dat we nog niets geroken hadden, ondanks de hitte...

Een paar uur later konden we aan boord van een langwerpige boot met een zeil tegen het opspattende boegwater. Je moest over andere aangemeerde wiebelende schuitjes heenstappen om dan steil af te dalen in de kajuit. De kapitein moest knap laveren om weg te komen. Halverwege de route was een Thaise douanepost gevestigd op een rotspunt, waarop een reusachtige gouden Boeddha troonde. Eenmaal daar voorbij kwamen we in de Birmese wateren. Koers werd gezet naar Victoria Point, waar we aan land gingen. Er hing een heel andere sfeer dan in Thailand, alles leek trager en ouderwetser. We kregen niet de kans om rustig rond te kijken want we werden onmiddellijk meegetroond naar het douanekantoortje naast de pier. Wel werd Hans apart genomen door scharrelaars die hem whisky en viagra aanboden: velly cheap!

Op de terugtocht legde de boot aan bij de Thaise rotspunt op het water en kwam de douane aan boord om al die smokkelwaar in beslag te nemen. De kapitein had dat blijkbaar voorzien en zijn voorraad veilig onder een vloerluik verstopt. Weer aan Thaise wal konden we eindelijk het stempel krijgen waar het allemaal om te doen was. Nu zitten we weer goed tot half februari.

Kristien gezien door Mark