Un

Kort na onze aankomst op het eiland hebben de kinderen een stukje land naast het onze verkocht aan de directeur van het postkantoor in Chumporn. We zijn aan de man voorgesteld, een vriendelijk glimlachende veertiger die nauwelijks Engels spreekt. Een klein huisje gaat hij er voor zichzelf bouwen, begrijpen we.

Later maken we kennis met zijn vader en zijn zus. Die laatste heeft in Nieuw-Zeeland gestudeerd en met haar kunnen we wel praten. Zij drijft een klein pension aan de andere kant van het eiland. Haar vader die daar klusjesman is komt een paar keer per dag de vorderingen van de bouw controleren. Je ziet hem al van verre aankomen, want hij kleedt zich in felgekleurde voetbalshirts. Een type, ook al verstaan we elkaar niet. Hij kijkt goedkeurend toe als ik in de tuin bezig ben en geeft af en toe aanwijzingen. Ook tref ik hem regelmatig aan de voet van ons balkon aan, waar hij staat te genieten van het uitzicht op de zee.

Al gauw blijkt dat zuslief geen idee heeft wat de bouwplannen inhouden. Ze staat er soms net zo verbaasd van als wij. Uiteindelijk verrijzen er in de loop van een week of acht zes appartementjes, verdeeld over twee panden. Spartaans ingericht, met slechts een kleine wandventilator, zijn ze duidelijk bestemd voor de verhuur. We krijgen blijkbaar andere buren dan de postbeambte.

De huizen zijn verrezen op een plek die vol stond met volwassen bomen. De nieuwe eigenaar had beloofd zo weinig mogelijk daarvan te kappen, want hij hield van bomen. Dat was echt zijn bedoeling. Maar doordeweeks is hij op het vasteland en zijn vader is ook niet permanent aanwezig op de bouwplaats. En zo ging de ene na de andere boom tegen de vlakte. We hebben zelfs twee omgehaalde kokospalmen door een Thai met een motorzaag in planken zien zagen. Met vaste hand joeg hij de zaag door het zachte hout. De planken kwamen er kaarsrecht uit en konden zo de winkel in. Geen best hout overigens; ramen en deuren van kokoshout trekken al na een jaar krom.

In elk geval ben ik er kien op nu de bouw voltooid is, dat er niet nog meer wordt gekapt. En toen ik vanochtend een groepje mensen gewichtig met blocnotes over het voorterrein zag lopen en kloppen op een hoge boom die op onze grond staat, spoot ik vuur. Ik stormde naar buiten en riep: don’t cut this tree! De vrouw in het gezelschap haalde haar schouders op en liep weg, gevolgd door drie van de mannen. Maar een bleef er staan en groette beleefd. Hij stelde zich voor als Un, de landeigenaar: en daarbij maakte hij een weids gebaar van hoog op de berg tot ver naar beneden.

Zijn ouders behoorden tot de pioniersfamilies van het eiland. Als kind had hij hier gewoond en zijn vader alle bomen zien planten. Later was hij naar Phuket verhuisd en had stukken van het familiebezit verkocht. Ons perceel maakte daar deel van uit. Af en toe kwam hij nog kijken naar wat er over was. Maar wat ze de laatste jaren uitspookten op Koh Tao! Hij maakte een draaiende beweging met zijn wijsvinger tegen zijn slaap. Ja, dat gebaar begreep ik wel. Wij hebben de laatste dertien jaar ook spectaculaire verschillen gezien. Maar had hij wel recht van spreken? Hij had zijn geld opgestreken en was vertrokken naar Phuket, samen met Pattaya Thailands grootste openluchtbordeel!

Het meest ergerde hij zich aan het onnodig kappen van de bomen. Dit is jullie boom, zei hij nog eens duidelijk. Met andere woorden, hou hem in de gaten. Er moet nog een verhard pad worden aangelegd naar het resort van de buren en daarbij staat die boom in de weg. Maar we gaan er desnoods voor liggen!

Kristien gezien door Mark