Koelies

Vanochtend werden we bij het zwembad overvallen door een plotselinge wolkbreuk. Schuilen hielp niet, want het regende steeds harder. Een was maar één uitweg: naar de auto rennen en dan naar huis. Met mijn regencape nog om start ik de wagen en wil wegrijden. Maar er komt een vrachtwagentje de parkeerplaats oprijden. Hij passeert en we zien tot onze verbijstering in de open achterbak tien tot vijftien mensenlichamen over elkaar heen liggen. Volkomen doorweekt laten ze gods water over gods akker stromen. En dan zien we het: dit zijn bouwvakkers. In deze maatschappij waar je of rijk bent, of arm, worden mensen ingehuurd uit Birma die tegen nog minder loon dan een Thai komen werken in weer en wind, van zonsopgang tot zonsondergang.

Tijdens de bouw van het resortje naast ons hebben we het van nabij gezien. Ze komen naar het werk met vrouwen en kinderen. Zo werd het schilderen van de gevel uitgevoerd door een ventje van een jaar of tien, die als een aap over de gammele steigers klom. Erg zorgvuldig was hij niet: plekken op de gevel miste hij maar de bodem onder het huis kreeg daarentegen een ongewilde laag witte verf.

De vrouwen zorgden voor het eten. Op een met planken afgeschermde butagaspit werd rijst gekookt, die ze garneerden met wat ze maar in de omliggende tuinen vonden: van groene papaja’s tot cashewbladeren, van sprinkhanen tot open gehakte kokosnoten. Tuk zegt het wel eens: als er ooit een ramp gebeurt, kan ik overleven in de jungle; ik weet precies welke planten eetbaar zijn en welke giftig. Die achterstand halen wij nooit meer in.

 

Kristien gezien door Mark