Geluksgetal

Ons eerste onderkomen op Koh Tao was behoorlijk primitief. Een hutje van bamboewanden met een bed, dat zowat de hele ruimte vulde, plus een natte cel. Die hutjes zijn inmiddels afgebroken; geen toerist die nog zo’n onderkomen huurt.

’s Avonds tegen acht uur ging de generator uit en was er niet alleen geen licht meer, maar ook geen enkele verkoeling. Het muskietennet dat overdag zo welkom leek, veranderde de slaapplek in een oven. Het doek van zware katoen joeg de temperatuur nog verder omhoog. We schreven juli, een van de warmste maanden hier.

Bij aankomst waren we door Flavius gewaarschuwd: neem altijd licht mee als je ’s nachts gaat plassen, want soms zit daar een schorpioen. Hij woonde zelf vier huisjes verder en wist waarover hij het had. Keer eerst je schoen om voordat je erin stapt en blijf ’s nachts onder je muskietennet. Het enige dat ons niet verontrustte was de gekko, een levende insectendoder.

Hoewel ik niet gecharmeerd was van deze hagedis met zwemvliezen, vond ik zijn lokroep wel innemend klinken. En toen ik hoorde dat het geluk bracht als hij zeven keer achtereen klakte, mocht hij van mij ook binnenskamers blijven. Zodra we het muskietennet afgooiden, werd hij zelfs onmisbaar. Behalve die nacht dat hij opeens vlak boven ons hoofdeinde tekeer ging. Het was dat hij precies bij zeven eindigde, anders had ik hem de deur uitgejaagd.

De eerste nacht in ons nieuwe huis lagen we nog wat onwennig op ons matras. Op de grond, want het bed moest nog arriveren uit Chiang Mai. Lastig om de slaap te vatten met zoveel nieuwe geluiden. Tot daar de lokroep van de gekko klonk, van heel dichtbij. We telden hardop mee: een, twee... Hij verstomde op de tel van zeven. En we wisten: het komt hier wel goed met ons.

Kristien gezien door Mark