50+

Op mijn verjaardag liep het jaarvisum af dat we op de Thaise ambassade in Den Haag hadden bemachtigd na eindeloos veel formaliteiten. Om het te verlengen waren er een paar mogelijkheden, maar niemand kon ons duidelijk maken wat de juiste was.

Het meest simpele advies hadden we gekregen op het reisbureau van het ziekenhuis in Bangkok. Daar dachten ze dat een bezoek aan de Immigratiedienst zou volstaan om een visum voor 50+ers te verkrijgen, waarmee we een vol jaar in Thailand konden blijven. Mocht dat niet lukken, dan hadden we nog tot 14 mei de tijd om een toeristenvisum te halen bij een Thaise ambassade ergens in het buitenland.

De Immigration Office op Koh Samui was voor ons het dichtstbij en de taxi van de rederij bracht ons tot voor de deur. Aan de ontvangstbalie werd onze stapel paperassen gecontroleerd en blijkbaar in orde bevonden, want we mochten wachten tot we aan de beurt waren. Of eerst gaan lunchen, want dat deden ze zelf ook.

Een uurtje later stond een ambtenaar ons al op te wachten met onze papieren onder zijn arm. Hij wenkte ons hem te volgen en liep naar buiten. Op een terras aan de zijkant van het gebouw stonden wat tafeltjes en stoelen onder een afdak. Het was er prettiger dan binnen.

De man gebaarde ons plaats te nemen en begon in ons dossier te bladeren. Hij bleef steken bij de inkomensverklaring die was afgegeven door de Nederlandse ambassade in Bangkok. Er stond een bedrag in euro’s op en hij wilde weten hoeveel dat was in Thaise baht. Op die vraag hadden we geen antwoord paraat, hoewel ik wist dat het ruim voldoende was om aan de visumeisen te voldoen.

Nu kon de man zijn autoriteit laten gelden en die kans liet hij niet glippen. Hij beende weg en kwam terug met een Thaise krant. Zocht naar de pagina met wisselkoersen en ging uitvoerig op een piepklein mobieltje zitten uitrekenen hoeveel we waard waren. Will do – was zijn zuinige commentaar tot slot. Married? – luidde zijn volgende vraag. En zo ja, waar bleek dat uit?

De kunst was om je door zijn wichtigmacherei niet op de kast te laten jagen. We straalden een onuitputtelijk geduld uit. Natuurlijk waren al onze papieren in orde; hij hoefde maar even rustig te kijken om dat in te zien. En verdomd, die taktiek bleek de juiste. Hij mompelde dat hij onze aanvraag in behandeling zou nemen en verdween met het stapeltje papier in het binnenste van de burelen.

Een uurtje later kwam hij terug om een sigaretje te paffen. Hij bracht ons The Bangkok Post van die dag en we concludeerden dat het dus nog wel even ging duren. Met steeds kortere tussenpozen kwam hij nu naar buiten om te roken en ons verslag te doen van de voortgang. Het was druk, zei hij, maar hij had onze aanvraag nu boven op de stapel gelegd. Even later kwam hij terug met het Thaise aanvraagformulier dat we thuis naar beste kunnen hadden ingevuld. Maar er ontbrak nog een handtekening op de achterzijde.

Na in totaal twee uur wachten kwam hij triomfantelijk het terras op, zwaaiend met onze paspoorten. Het was gelukt! We mogen nu een jaar blijven zonder dat we elke 90 dagen het land moeten verlaten. In plaats daarvan moeten we ons elke 90 dagen melden bij die Immigratiedienst. Dat heeft één voordeel: het is dichterbij.

We maakten aanstalten om binnen voor het visum te betalen. Maar de ambtenaar had een ander scenario in de zin. Hij hield ons tegen en zei – dat is dan vijfduizend baht. Ik keek hem vragend aan, want hij stond pal naast het bord met de tarieven en mijn rekensom kwam uit op minder dan vierduizend baht. For two persons – drong hij aan. En toen we niet direct sjoege gaven, voegde hij er aan toe – plus fotokopieën.

Toen begrepen we hoe laat het was. Een op maat gesneden behandeling zonder in de rij te staan, een rustig zitje buiten in de schaduw – voor niks gaat de zon op.

Kristien gezien door Mark