Paradijs

Wie in de grote stad geboren en getogen is, krijgt vroeg of laat de kriebels in de natuur. Al is de omgeving nog zo paradijselijk – het ruisen van de zee, het zoemen van myriaden insecten, de weelderig bloeiende planten, het permanent op blote voeten lopen – soms wordt die overdaad aan geluk te groot en smacht je naar lawaai en uitlaatgassen.

Bangkok is dan de bestemming bij uitstek. De files en verkeersopstoppingen zijn er ongekend. Eén ritje in een tuk-tuk en je hebt een dosis uitlaatgassen voor een heel jaar naar binnen. Een dag of vier is meer dan genoeg om naar je paradijs terug te verlangen. Inmiddels weten we dat het zo werkt en plannen we onze stadsdagen mudvol.

Op de heenweg naar het Siam museum hadden we de metro genomen. Een ervaring op zich. De metro van Bangkok is nog vrij nieuw en is ruim, comfortabel, koel, schoon en goedkoop. We wilden het spoorwegstation bekijken dat aan het eindpunt van de metrolijn ligt.

Wie een kaartje voor de metro wil, kiest zijn traject in de automaat die het tarief berekent. Na betaling valt er een plastic penning in de gleuf, naast het eventuele wisselgeld. Met die penning open je de tourniquet, waarmee je toegang krijgt tot het perron.

Er zijn nauwelijks toeristen in de metro, omdat die meestal kiezen voor de Skytrain, een metro op palen die alle winkelcentra aandoet. Op sommige stations kruisen de twee systemen elkaar. Alle haltes worden tweetalig aangekondigd op een beeldscherm en omgeroepen. Het kan dus niet fout. De stations zijn bijna overdreven ruim. Maar dat is alleen maar prettig in de hitte.

Als je bovenkomt in het treinstation, stap je anderhalve eeuw terug naar de beginjaren van de spoorweg. De wagons van de 3e klasse hebben houten banken en de ramen staan helemaal open. Het ziet er weinig aantrekkelijk uit. Een treinreis vanuit Bangkok naar het noorden of het zuiden duurt al gauw 12 uur. De eersteklas reiziger krijgt een eigen cabine met airco. Dat is een stuk aangenamer, maar eigenlijk kan je hier beter vliegen.

Het Siam museum behandelt de geschiedenis van Thailand en blijkt vooral voor kinderen bestemd. Aan de balie kijken ze stomverbaasd dat wij naar binnen willen, temidden van schoolklassen in keurige uniformen. Van de weeromstuit hoeven we niks te betalen.

Het museum is met moderne middelen ingericht en alles is tweetalig. Je ziet het land veranderen van een Aziatisch vorstendom in een Westers georiënteerde maatschappij. Met Amerika als lichtend voorbeeld en bondgenoot, vooral de laatste vijftig jaar. Dat heeft het land geen windeieren gelegd en maakt ondermeer dat wij hier in comfortabele omstandigheden kunnen wonen.

Na het museum namen we een tuk-tuk naar het station. De route liep dwars door Chinatown, een van de drukste wijken van de stad. Doordat we kwamen vast te zitten in de verkeerschaos konden we het gewoel hoog en droog bestuderen. Honderden winkeltjes, kraampjes, eetstalletjes en vooral duizenden mensen die voort schuifelden langs alle koopwaar. En zo op het oog allemaal Chinezen. Zelden hebben we op één dag zoveel mensen gezien. Laat staan indrukken opgedaan.

De verkiezingen zijn net voorbij en de eclatante overwinning van de Pheu Thai volkspartij is op ieders lip. Mensen hebben serieuze hoop op verandering. Die is ook hard nodig, want de verschillen tussen arm en rijk zijn gigantisch in dit land. Of de verkiezingsbeloften van Yingluck, de zus en volgens tegenstanders de stropop van de verdreven ex-premier Thaksin, worden waargemaakt is de vraag. Er wordt volop geruzied om de machtsposities. Veelbelovend is wel dat een kleine partij, die de corruptie wil bestrijden, deel gaat uitmaken van de nieuwe regeringscoalitie. Corruptie is de smeerolie van deze maatschappij. Die verminderen zou een belangrijke stap voorwaarts zijn.

’s Avonds op weg naar het hotel zien we een staaltje van de uitersten van Thailand. Het smalle trottoir dat overdag nog te belopen is – als je tenminste oppast voor alle losliggende tegels – wordt in de avonduren bezet door mobiele eetkraampjes. Op één gasbrandertje toveren zij hele maaltijden die aan piepkleine tafels en stoeltjes op hetzelfde trottoir worden genuttigd. Pal achter die kraampjes liggen de grote hotels met hun gekoelde restaurants, waar alles minstens tien keer duurder is.

We banen ons met moeite een weg door het gekrioel. Het is oppassen geblazen, want het verkeer raast rakelings voorbij. Opeens kan ik geen stap meer voor- of achteruit. Passerende taxi’s zetten de voetgangers klem tussen de eetstalletjes. Ik staar in de moedeloze ogen van een tegemoetkomende vrouw, die aan een stok een aantal reusachtige speelgoedbeesten meetorst. Ze torenen boven haar en mij uit. Haar blik zegt alles: aan wie moet ik in het bloedhete halfduister die monsters slijten? Ik kan haar wanhoop goed begrijpen. Op dit uur wordt er in vrouwenvlees gehandeld, niet in teddyberen. Prostitutie is hier de kortste weg naar geld.

Moe van al dit soort indrukken zijn we maar wat blij met de terugkeer naar onze stille rotspunt. AOW Leuk heet hier een van de stranden. Zo is het maar net.

Kristien gezien door Mark