Witte olifant

Het was nog even spannend of onze geplande reis naar het noorden wel kon doorgaan. Chiang Mai, na Bangkok Thailands grootste stad, stond tot een week voor ons vertrek nog onder water. Maar tegen de vertrekdatum was het waterpeil aan het zakken.

De stad is groot, maar in het oude ommuurde centrum merk je daar weinig van. Daar lijkt het of de tijd heeft stilgestaan. Het meest opmerkelijk zijn de driehonderd tempels kriskras over de stad verspreid. Je struikelt bijna over de monniken in geel en oranje, die vaak nog heel jong zijn en worden opgeleid in scholen op het tempelterrein.

De belangrijkste tempel van Chiang Mai, de Wat Doi Suthep, ligt in de bergen ten noorden van de stad. De 600-jarige tempel herbergt het schouderbeen van de Boeddha. De koning van het Lanna-rijk, waarvan Chiang Mai de hoofdstad was, liet een witte olifant met de relikwie op zijn rug rondwaren. Waar het dier stopte, is het heiligdom gebouwd.

Het is een sfeervolle plek, zeker als je ’s ochtends vroeg komt. De nevel hangt nog in sluiers rond de tempelgebouwen wanneer we aankomen, maar de zon breekt al snel door. Er zit een klasje van de muziekschool met strijkinstrumenten en een danseres oefent haar lenige vingers in gracieuze gebaren. Af en toe klinkt het diepe basgeluid van gongen die langs de tempelmuren staan opgesteld en door passanten tot klinken worden gebracht.

Een wat is een complex van verschillende gebouwen, waarvan de meeste vrij toegankelijk zijn. sommige gaan alleen open bij bijzondere gelegenheden, zoals de jaarlijkse pelgrimstocht vanuit de stad.

Een keer per jaar verzamelen de bedevaartgangers zich in de avonduren voor de Zoo van Chiang Mai. Van daaruit lopen ze de berg op. Een stevige klim, maar jong en oud stapt mee. En ook nog eens uit alle lagen van de bevolking. De weg is afgesloten voor het verkeer en het tempelcomplex boven feestelijk verlicht. De gids vertelt dit ons met twinkelende ogen. Hij is nog jong, maar loopt elk jaar mee.

De relikwie ligt begraven onder een pagode in het midden van het terrein. Voor boeddhisten is dit een heilige plek en tot uit India stromen zij toe. Bij aankomst lopen ze drie keer rond de pagode. iedere ronde heeft een bijbehorend gebed. Het pad rond de pagode is ondanks het vroege uur steeds vol mensen, die wierookstokjes en bloemen dragen.

Wij staan er wat verloren bij te kijken. Wie de rituelen niet kent, houdt zich beter op een afstand. We volgen de gids naar een ruimte waar naast een immens Boeddhabeeld een monnik zit met een rol witte katoen op schoot. Voor wie dat wil, knipt hij een stukje draad af, draait behendig een versiering in het midden en legt het armbandje in je opgestoken handen.

De gids knoopt het voor me om, want monniken mogen vrouwen niet aanraken. Dat armbandje moet je drie of negen dagen dragen en biedt bescherming. Ook voor niet-boeddhisten, want het heeft ons veilig thuis gebracht tussen alle overstromingen en woelige baren door.

Kristien gezien door Mark