X-Mas

Als kind was het een fikse tegenvaller wanneer we met kerst voor de nachtmis werden uitgeloot. Onze parochie was zo groot dat de kerk te klein was voor iedereen, en elk jaar werd er in oktober een aantal letters van het alfabet uitgeloot.

Als de W wel aan de beurt was, verheugden wij ons al dagen van tevoren. Er waren niet zoveel verzetjes in de jaren vijftig, maar dit was er een. Op kerstavond moesten we gewoon op tijd naar bed. Maar om half twaalf kwam mijn moeder ons wakker maken. Nog slaapdronken liepen we de kamer in en daar wachtte ons de eerste verrassing.

Terwijl wij sliepen, had mijn vader de kerstboom opgetuigd en het stalletje neergezet. Hij had gewacht tot wij uit bed waren met het uitpakken van de beeldjes. Die mochten wij om beurten in het kunstmos rond de kribbe zetten. Ik probeerde altijd om de engel te bemachtigen. Die moest aan een haakje boven aan het stalletje gehangen worden, een precisiewerkje.

Intussen had mijn moeder de kersttafel gedekt. Het witte tafellaken was versierd met rode linten die met kopspelden waren vastgemaakt. Ik zou het later precies zo doen. Er stonden schalen met kersttimpen en sukadebroodjes klaar, maar je mocht nergens aankomen. Dit was voor na de nachtmis.

Ieder jaar ging ik met kerstmis in het rood gekleed, een traditie die ik nog steeds in ere houd. Mijn moeder zat ’s avonds, wanneer de kleintjes naar bed waren, achter haar Singer en ik mocht soms draaien aan het wiel. Altijd was het nieuwe kledingstuk precies op tijd klaar.

Door het donker liepen we in drommen naar de feestelijk verlichte kerk. Aan weerskanten van het gangpad waren extra rijen stoelen bijgezet, maar niet een plaats bleef onbezet. Wat blijft je bij van zo’n plechtigheid? Kaarslicht, wierookgeur en kerstgezangen. En al die mensen bij elkaar; je kwam ogen tekort.

En als we, moe van alle indrukken, twee uur later thuiskwamen zat mijn moeder klaar met het kerstontbijt en kon je eindelijk happen in die sukadebroodjes, die maar een keer per jaar gebakken werden.

Kerstmis is geen Thaise feestdag. Maar op een toeristeneiland moeten ze er natuurlijk wel iets aan doen. Zo waren er in alle resorts gisteravond kerstbuffetten: kalkoen, eendenborst, de hele rataplan. De afgelopen week is het eiland volgestroomd met vakantiegangers. Die namen gelijk een voorproefje op de feestelijkheden, want al dagenlang knalt er vuurwerk.

’s Ochtends vroeg liggen dronkenlappen uitgeteld in de berm of hangen nog lallend boven plastic emmertjes Mekongwhisky, te bezopen om zelfs maar hun bed te gaan zoeken. Dat is een groot probleem als je zover heen bent. Van de week hebben wij dat aan den lijve mogen ervaren.

De wekker was net afgegaan en het was buiten nog aardedonker toen ik iemand hoorde schreeuwen in de tuin. Even later werd er op de deur gebonsd – I’m drunk and I want to sleep! Ik schoof het raam naast de deur open en deinsde terug van de alcoholwalm. Vaag kon ik een jongeman onderscheiden die tegen de voordeur aan hing.

Je woont hier niet, hoepel op! Toen hij doorkreeg dat hij er niet in zou komen, droop hij af. Maar vijf minuten later werd er opnieuw stevig aan de deurknop gerammeld. Het was inmiddels gaan schemeren en nu kon ik hem beter zien. Hij gaf het niet op, hij moest en zou naar binnen. Met een zacht lijntje heb ik hem naar het huis hiernaast gekregen, waar kamers worden verhuurd. Daar hoorde ik even later ook geschreeuw, maar hij is niet meer teruggekomen.

Van de kinderen hoorde ik nog een sterker verhaal. Een dronken vrouw stond in het holst van de nacht aan de deur te morrelen bij een vriend van hen. Die hoorde dat wel maar dacht, de deur zit op slot, die verdwijnt vanzelf wel. Maar even later stond de vrouw midden in de kamer, liet zich naast hem op bed vallen en was vertrokken. De volgende ochtend kon ze zich absoluut niet herinneren hoe ze daar was beland. En wat erger was ­– ze bleek van al haar bezittingen beroofd. Toeristenoorden trekken op deze hoogtijdagen rondreizende bendes aan. Straks na oud en nieuw verdwijnen ze vanzelf en wordt het weer rustig. Hosanna in den hoge!

 

Kristien gezien door Mark