Voorwaarts

Voor een buitenstaander is het misschien un peu étonnant* dat wij in deze uithoek zijn neergestreken – voor ons is het minder gek. Achteraf gezien hebben wij jarenlang geoefend alvorens het Grote Water over te steken.

De eerste poging om het stadsgewoel te ontvluchten was ‘Huisje hei’. Hans had de jonge schrijfster Hester Albach geholpen bij haar debuut, dat met succes verschenen is en later zelfs verfilmd onder de titel Het Debuut. Als dank kreeg hij de sleutel van een verbouwde schaapskooi op de hei bij Radio Kootwijk, midden in de Staatsdomeinen. Haar grootmoeder had ooit een stukje grond kunnen kopen van Staatsbosbeheer. Een droomplek voor een dichter die de stilte zoekt.

Door de weeks zat Hans er vaak in zijn eentje. Vanaf het station van Apeldoorn was het een uurtje op een huurfiets. Later gingen we in het weekend met de kinderen. Die kozen elk een vriendje of vriendinnetje en op vrijdagmiddag na school laadden wij ons bestelautootje vol met levende have. Vier kinderen achterin op een matrasje met de huisdieren die je niet alleen kon achterlaten tussen hen in, en boven op het dak een stel fietsen. Als we geluk hadden, waren we nog net voor de avondspits onderweg.

Voor de kinderen was het een paradijs. We maakten kampvuren, herstelden het hek dat in verval was geraakt en binnen de kortste keren maakten zij vrienden in de buurt. Dat kwam door Eelke de Jong die daar vlakbij schaapherder was. Eelke en Hans waren oude vrienden sinds hun Haagse Post-jaren en onze kinderen logeerden bij elkaar.

Eelke was verliefd op een weduwe met vier zonen in een naburig dorp en nam ons mee als dekmantel. Zo raakten wij in die omgeving blijvend ingeburgerd, ook toen hij ontgoocheld de schapen de schapen liet en terugging naar de stad. Hij had gedacht dat hij als herder – uitgedost met lange jas, hoed en herdersstaf – rustig onder een boom kon zitten schrijven, terwijl de schapen graasden op de hei. Maar schapen hoeden bleek keihard werk en bovendien trok hij door foto’s in zowat alle damesbladen veel bekijks van dagjesmensen.

Huisje hei was niet het enige buiten van de familie Albach. In de Franse Cevennen stond ‘Huisje berg’, een groot stenen huis in een afgelegen bergdorp. Daar hebben we een keer een zomervakantie doorgebracht. De naaste buren – een bejaard Frans echtpaar – hadden maar zelden hun bergkam verlaten. De vrouw was één keer in haar leven naar het dichtstbijzijnde stadje gelopen – een dag heen, en een dag terug – om haar trouwjurk te kopen. Sindsdien was ze nooit meer van huis geweest. Ze hadden hun leven lang gewerkt in de zijderupsenteelt, die inmiddels helemaal ter ziele was. Alleen de imposante moerbeibomen herinnerden nog aan die tijd.

Dat verblijf in de Cevennen was een voorproefje van de geneugten van wonen buiten je eigen landsgrenzen: wel de lusten van een land, maar niet de lasten. Toen we een paar jaar later het aanbod kregen om een stukje land met een ruïne te kopen in een ander deel van Frankrijk hebben we dan ook niet lang geaarzeld. Normandië was vanuit Nederland gemakkelijk in een dag te bereiken. Een gebied met weinig toerisme, want iedereen reed er voorbij op weg naar de zon.

De eerste jaren hebben we van de ruïne een huisje op maat laten maken en toen we stopten met werken, lag het voor de hand er permanent te gaan wonen. De laatste tien jaar hebben we een sier- en moestuin aangelegd en daar volop van genoten. Tot het om allerlei redenen genoeg was. Nog even hebben we overwogen om terug naar Nederland te gaan, maar een grote sprong dient voorwaarts te gaan. Niet achterwaarts.

 

 

 

* Zo noemde een verbijsterde Franse president Jacques Chirac ooit het buitenissige optreden van Hans van Mierlo als minister van Buitenlandse Zaken.

 

Kristien gezien door Mark