Kolchos

Als bij mirakel slaagde ik in 1967 voor mijn eindexamen gymnasium-ß, en daar had niemand op gerekend. Na veel gebakkelei mocht ik één jaar studeren van mijn vader, meer wilde hij in mij niet investeren. Daarna kon ik gaan werken of trouwen – ik zag maar.

Mijn vader was nog van de oude stempel en vond vrouweneducatie geldverspilling. Ik had geluk dat ik de oudste was en een jaar voor lag op de oudste van mijn broers. Maar welke studie wil je al na één jaar afbreken? Toen schoot mij een intrigerend voorwoord te binnen uit een vertaalde roman van Tolstoj. Daarin werd nog meer leesgenot beloofd aan wie het origineel kon lezen. Toen wist ik opeens wat ik ging doen: Russisch.

Dat ene jaar werden er uiteindelijk zeven. Studieduur bepaalde je zelf. Universitaire studies waren nog niet gestroomlijnd, en bovendien moest ik er bij werken. Studeren vergde vooral zelfdiscipline. De meeste studenten haakten voortijdig af, en anderen deden er nog langer over dan ik. Dat maakte niet veel uit; het collegegeld was laag en werk was er toch niet in je vakgebied. Het IJzeren Gordijn zat nog potdicht en wie Russisch deed, werd verdacht van communistische sympathieën. Aan het begin van ieder nieuw studiejaar klonk steeds dezelfde waarschuwing: ‘Mensen, hou er toch mee op. Met deze studie valt geen droog brood te verdienen.’ Meer aansporing om door te gaan had ik niet nodig.

Mijn studiejaren vielen samen met de ontdekking van de Russische literatuur van de 20ste eeuw. Na de dood van Stalin in 1953 heeft zijn opvolger Chroesjtsjov hem in 1956 officieel ontmaskerd als evenknie van Hitler. Daarmee begon een periode die ‘de dooi’ is genoemd. Er werden boeken gepubliceerd die jarenlang waren weggemoffeld. Zoals de verhalenbundel Rode ruiterij van Isaak Babel, over de gruwelen van de Russische Burgeroorlog. De Meester en Margarita, het levenswerk van Michaïl Boelgakov, werd uitgegeven met cursief gedrukte passages die eerder door de censuur waren geschrapt. Dokter Zjivago van Nobelprijswinnaar Boris Pasternak werd zelfs een internationale kaskraker, het boek en later ook de Hollywoodfilm.

Ik leerde Russisch lezen, spreken en vertalen. En – ik ontmoette Russen. Mijn eerste bezoek aan de Sovjetunie vond plaats in 1968. Via een bureau in Leiden dat zomerkampen voor studenten organiseerde, had ik een plaatsje bemachtigd voor een kamp in de Koeban, net boven de Kaukasus. Vanuit Moskou was het nog een etmaal sporen naar het zuiden. Op het station van Armavir stapten we over in een aftandse bus en hobbelden langs velden met rijpend graan, maïs en tabak.

Hier maakte ik kennis met de onmetelijkheid van het Russische platteland. Eindeloze karresporen die naar het niets leken te leiden. Toch bereikten we in die negorij onze bestemming, een kolchos, ofwel een collectieve boerderij. Wij zouden daar met dertig Russische en dertig niet-Russische studenten een maand lang metselen aan een koeienstal.

Als ze verstandig waren, hebben ze dat bouwsel direct na ons vertrek weer afgebroken want er was geen muur die recht stond. Dat leek ze gek genoeg niet te deren, en al gauw bleek dat niet werk hoofddoel van ons verblijf was, maar politieke indoctrinatie. Iedere middag kregen we lezingen, waarin het Sovjetsysteem werd bejubeld en historische feiten aantoonbaar werden verdraaid. In het begin luisterden wij westerlingen beleefd, tot het de spuigaten uitliep.

Tijdens de chaotische discussies die volgden, werd de kampleiding klem gepraat en bekende dat zij die politieke propaganda mòesten maken. Toen wij dat wisten, kwamen we ’s middags domweg niet meer opdagen. Nu kropen ook de Russische studenten uit hun schulp en was de verbroedering een feit.

Onderdeel van de geplande propaganda waren bezoeken aan de kolchos, waar wij logeerden en aan een vele maten grotere sovchoz, een staatsboerderij. Dat de gedwongen collectivisatie van de landbouw in de jaren dertig miljoenen slachtoffers had gemaakt, wisten de meesten van ons toen niet. Nu werden wij getrakteerd op de successen van dit systeem met duizelingwekkende produktiecijfers.

Die ontvangsten waren onvergetelijk. De plaatselijke bevolking had nog nooit buitenlanders gezien, en tijdens de wandeling door een erehaag werden wij voorzichtig aangeraakt. Zodra ze merkten dat wij gewoon van vlees en bloed waren, was het ijs gebroken. En toen bleek dat ik een mondje Russisch sprak, waren ze niet meer te houden.

Russische gastvrijheid is overweldigend. Op het laatst werden we zelfs bij mensen thuis op ‘de thee’ genood. Dat was een eufemisme, want ze trokken alles uit de kast voor zo’n bezoek. Zelden heb ik zulke met lekkernijen afgeladen tafels gezien. Drinken is in Rusland een serieuze zaak en toosten op de vrede en de vriendschap was dat helemaal. Jarenlang heb ik de lucht van wodka niet kunnen verdragen.

Kristien gezien door Mark