Leeshonger

Nu ik moeizaam Thais leer lezen, weet ik weer hoe trots ik me voelde wanneer ik als zesjarige de krantenkoppen mocht spellen voor mijn vader. Het was alsof de wereld voor mij openklapte.

Als kind was ik altijd op zoek naar bedrukt papier. Het boekenbezit van mijn vader was niet groot maar hij had een paar jaargangen van het Amerikaanse tijdschrift Life van vlak na de oorlog, die mij fascineerden. Op groot formaat en stevig ingebonden, bijna te zwaar om op te tillen.

Dat tijdschrift gebruikte hij om de verkenners te examineren. Op winteravonden kwamen jongens van een jaar of veertien – net even ouder dan ik – zich voor een extra uniformstreepje laten testen op hun kennis van het Engels.

Als mijn vader in een goede bui was, mocht ik erbij zitten. Dan kwam er zo’n Life-legger op tafel die hij op een willekeurige bladzij opensloeg. Zo hoorde ik van het bestaan van kampbeul Ilse Koch die lampenkappen maakte van mensenhuid, en zag ik foto’s van de opgeknoopte Mussolini. Die bladzijden waren niet voor onze ogen bestemd en sloeg hij snel om. Maar het kostte mij de volgende dag niet veel moeite om ze terug te vinden.

Mijn leeshonger heb ik moeten bedwingen tot ik op de middelbare school zat. Een van de klaslokalen was ingericht als bibliotheek, met boekenplanken die tot aan het plafond toe reikten. De bibliothecaresse was – zoals bijna alle docenten van ons RK Lyceum voor meisjes – een non uit het aanpalende klooster. In het begin was ze pietluttig streng. De boeken waren ingedeeld naar leerjaren en als je in de derde zat, moest je niet denken dat je een boek meekreeg voor zesdeklassers. De katholieke kinderziel werd zwaar bewaakt. Maar met de jaren werd ze meegaander en kneep ze wel eens een oogje dicht.

Wat heb ik in mijn schooltijd niet allemaal afgelezen. Op het laatst zocht ik boeken uit op omvang: hoe dikker hoe beter. En zo heb ik Tolstoj ontdekt: Oorlog en vrede, dikker kan haast niet. Dat was mijn kennismaking met de Russische literatuur. Ik was een jaar of vijftien en rijp voor de romantiek van het 19e eeuwse Rusland: verarmde adel, drinkgelagen, eerste liefdes, overspel en vooral emotie, heftige emotie. Ik zou het later aan den lijve ondervinden: Russen zijn direct, gul en ongeremd. Voor mij een volslagen nieuwe mensensoort.

Van Tolstoj kwam ik bij Dostojevki, van Dostojevski bij Toergenjev, van Toergenjev bij Gogol – ik kon er kortom geen genoeg van krijgen. De Russische bibliotheek van Van Oorschot was net van start gegaan. Nieuwe vertalingen van de Russische klassieken rechtstreeks uit de moedertaal en prachtig uitgegeven op dundrukpapier, dat wij missaalpapier noemden. Wij moesten het op school doen met oude vertalingen, meestal uit het Duits, die ook nog eens waren ingekort. Maar dat ontdekte ik pas later.

In een van die bibliotheekboeken stond een woord vooraf van de vertaler dat een beslissende invloed op mijn leven heeft gehad. Het klonk bijna als een verontschuldiging. De letterlijke tekst ben ik vergeten, maar het kwam hierop neer: ik heb mijn best gedaan op deze vertaling, maar als je ooit de kans krijgt om het origineel te lezen zal je zien hoe oneindig veel beter dit boek is. Die opmerking is mij altijd bijgebleven.

Kristien gezien door Mark