Meesterspion

Otto Katz, ca. 1930
Otto Katz, ca. 1930

Je moet wel een doorgewinterde cynicus zijn wanneer je een totalitaire staat als de Sovjetunie voorstelt als een paradijs en de culturele elite van het Westen voor het communisme weet te winnen met champagne en kaviaar. Of op zijn minst een goede mensenkenner.

Het brein achter die bedrieglijke taktiek was Karl Radek (pseudoniem van Karol Sobelsohn) – een geniale pamflettist die de wegbereider van de bolsjewieken in Duitsland was. Hij wist Lenin, die een afkeer had van intellectuelen, ervan te overtuigen dat juist zij de sleutel waren tot de wereldopinie.

Radek stuurde de rode persmagnaat Willi Münzenberg aan en was zijn beschermer bij de partijtop in Moskou. Door hem kreeg Münzenberg carte blanche bij zijn activiteiten en het werven van medewerkers. Eén van hen in het bijzonder viel bij Radek in de smaak – Otto Katz. Samen met Münzenberg vormde hij een sinister duo dat elkaar feilloos aanvulde. Willi als strateeg in de coulissen en Otto voor het voetlicht als acteur.

Otto Katz was een freelance journalist toen hij in 1924 door Münzenberg ontdekt werd in Berlijn. Als jonge Tsjechische dichter uit Praag had hij verkeerd in kringen rond Franz Kafka. De kleine minderheid van Duitstalige joden bepaalde de culturele scene van Praag, dat toen nog deel uitmaakte van het Habsburgse rijk. Hij had er de ‘razende reporter’ Egon Erwin Kisch leren kennen, grondlegger van de onderzoeksjournalistiek.

Kisch zocht zijn materiaal in de Praagse onderwereld en werd kort voor de Eerste Wereldoorlog beroemd door het blootleggen van een omvangrijk contraspionagenetwerk. In zijn reportage toonde hij aan dat de chef van de Habsburgse inlichtingendienst voor de Russen werkte. Dit spionageschandaal was Otto’s vroegste kennismaking met de wereld van avontuur, seks en geld waaraan hij verslingerd zou raken. Kisch bleef zijn levenslange kameraad. Net als Katz was hij horig aan Moskou, getuige zijn latere uitspraak: ‘Ik denk niet, Stalin denkt voor mij’.

 

Uiterlijk had Otto Katz niets van een communist. Zijn lange, elegante verschijning en indringende lichtblauwe ogen deden eerder denken aan een playboy. Zijn vader – een geslaagde Boheemse zakenman – gaf hem een royale toelage en Otto liet het geld rollen. Een opvallend schermlitteken sierde zijn gezicht van neus tot kin. Zo’n mensuur geldt onder Duitse studenten als ereteken en bewijs van moed.

Katz had ambities om toneelschrijver te worden. Naast zijn journalistieke werk was hij actief voor het theater. Daar zal zijn zwak voor actrices niet vreemd aan zijn geweest. Een van zijn ontelbare veroveringen was de toen nog onbekende Marlene Dietrich. Otto ging er prat op dat hij haar ontdekt had en haar eerste echtgenoot was geweest.

Willi Münzenberg zag de potentie van deze linksgezinde charmeur en liet hem de theaterwereld infiltreren, zoals hij Kisch inzette in de literaire kringen van Berlijn. Katz werkte samen met de avantgardistische theatermaker Erwin Piscator en raakte bevriend met Bertolt Brecht. De auteur van de Driestuiveropera heeft zijn leven lang propaganda gemaakt voor de Sovjets en liet zich daar dik voor betalen. De reactie van de geëngageerde Brecht op de Stalinistische schijnprocessen in Moskou getuigt van zijn oeverloze cynisme: ‘Hoe onschuldiger ze zijn, des te meer verdienen ze de kogel’.

Behalve zijn directe geestverwanten had niemand een vermoeden van zijn dubbelleven, want Otto Katz was een rasacteur. Terwijl hij uit was op de wereldrevolutie, speelde hij zijn rol van rokkenjager en politiek onbenul. Münzenberg stuurde Katz in 1931 naar Rusland voor verdere ontwikkeling van zijn talent. Op de Internationale Leninschool in Moskou werd de techniek van spionage onderwezen. Leraren waren voor het merendeel niet-Russen en studenten kwamen uit de hele wereld – Britten, Fransen, Amerikanen en zelfs Nederlanders. Ze kregen er een militaire basistraining en lessen in propaganda. De school was geïnfiltreerd door agenten van de geheime politie – GPOe – die leraren en studenten in de gaten hielden. Zij selecteerden Otto Katz voor een speciale opleiding als ‘illegaal’ op de geheime dependance van de school.

Legale agenten – residenten genaamd – waren in de regel verbonden aan een Russische ambassade of aan handelsmaatschappijen die dienden als dekmantel voor industriële spionage. Zulke agenten waren moeilijk te betrappen door veiligheidsdiensten omdat het grootste deel van hun werkzaamheden legaal was. De firma Arcos Ltd. in Londen vormde bijvoorbeeld jarenlang het zenuwcentrum van Russische spionagenetwerken in Europa. Totdat Scotland Yard in 1927 een inval deed die leidde tot een breuk in de diplomatieke betrekkingen. De Engelsen vonden er tonnen belastend materiaal, ook al was hun urenlang de toegang tot het gebouw belet terwijl de schoorstenen rookten.

Illegale agenten bezaten geen diplomatieke onschendbaarheid en liepen daardoor meer gevaar. Ze opereerden onder een valse identiteit en wisselden regelmatig van paspoort. Om hun netwerken op te zetten smokkelden zij grote sommen geld van het ene land naar het andere. Voor dit avontuurlijke bestaan bleek Otto Katz geknipt. Hij was een van de eerste internationale spionnen – een James Bond avant la lettre.

 

Parijs moet een verademing voor hem geweest zijn na twee jaar in het spartaanse Moskou, waar het beloofde paradijs nog mijlenver weg was. Katz stortte zich als voorheen in het leven van de intellectuele jetset, maar mentaal was hij gestaald. Hij was nu playboy en killer tegelijk. Otto werkte niet alleen vòòr de Comintern maar ook ertegen. Zijn nieuwe opdrachtgever – de GPOe – probeerde via hem grip te krijgen op de onaantastbare Willi Münzenberg. Die wist niets van de dubbelrol van Katz, die zijn leermeester in 1940 zou verraden.

In La Faisanderie – het voormalige jachthuis van Lodewijk XIV in de Parijse bossen – was Otto Katz een veel geziene gast. Net als voor zijn verblijf in Moskou, toen hij er het pad kruiste van Elsa Triolet en Louis Aragon. En dat van Vladimir Majakovski. Want de hofdichter van het communisme heeft veel meer voetstappen liggen in La Faisanderie dan zijn zorgvuldig geconstrueerde imago doet vermoeden.

Het is trouwens opvallend dat vrijwel geen van de habitués die hotspot in zijn memoires noemt. Toch werd hier de Franse intellectuele voorhoede verleid tot Stalinistische sympathieën. André Gide is er bewerkt om de Sovjetunie te bezoeken. Dat zijn beroemde reisverslag Retour de l’USSR kritisch uitviel, was een misrekening. Ook André Malraux en Jean Cocteau zijn er voor Moskou gewonnen.

La Faisanderie was ook de plek waar Russische emigranten als Sergej Prokofjev onder druk gezet zijn om naar het moederland terug te keren. Om hen over de streep te trekken werd Majakovski ingezet. De welbespraakte, goedgeklede dichter diende als boegbeeld voor het nieuwe Sovjetbestaan. Dat was de reden voor zijn vele buitenlandse bezoeken in een tijd dat de modale Sovjetburger niet eens kon reizen binnen zijn eigen land.

Als hem werd gevraagd wat hij toch telkens in Parijs kwam doen, grijnsde Majakovski steevast: ‘Daar kan de GPOe antwoord op geven’. Van zijn aanwezigheid in La Faisanderie maakte hij zelf geen geheim. In zijn gedicht Brief uit Parijs aan kameraad Kostrov over het wezen van de liefde uit 1928 is de ambiance van het mondaine jachthuis het decor van de kennismaking met zijn ‘tweede muze’:

 

         Stel u voor:

                          een schoonheid

                                                 betreedt de zaal,

         in bont,

                    met parels bezet.

 

Elsa Triolet, die optrad als de tolk van Majakovski in Parijs, was er als de kippen bij om de aanwezigheid van de dichter in het jachthuis te verdoezelen. Zij heeft een andere versie in omloop gebracht van zijn ontmoeting met de 22-jarige belle Tatjana Jakovljeva, die model was bij Coco Chanel. Hij zou haar hebben leren kennen in de wachtkamer van een bevriende arts in Parijs. Zaal, bont en parels waren volgens Elsa dichterlijke vrijheden.

Majakovski had serieuze trouwplannen met zijn nieuwe liefde, maar die waren tot mislukken gedoemd. De Sovjetdichter kon niet in Parijs blijven en zijn geliefde wilde voor geen goud terug naar Rusland. Tatjana, die later in New York uitgroeide tot een mode icoon en door haar rivale Lili Brik denigrerend ‘die modinette’ werd genoemd, heeft tot haar dood toe vastgehouden aan het verzinsel van Elsa. Zij had geduchte redenen om niet in verband gebracht te worden met de schimmige wereld van La Faisanderie.

 

In 1935 stuurde de Comintern Otto Katz naar Hollywood. Van de vele aliassen waaronder hij heeft geopereerd, was die van de antifascistische vrijheidsstrijder Rudolf Breda zijn glansrol. Omringd door ’s werelds beroemdste acteurs zette hij een personage neer dat emblematisch is geworden voor menige held van het witte doek. De bekendste is ongetwijfeld de verzetsleider Victor Lazlo in de klassieker Casablanca.

Katz moest Hollywood verleiden tot Sovjetpropaganda. Niet door de inhoud van films te manipuleren, maar de glamourwereld eromheen. Met de oprichting van de invloedrijke Hollywood Anti-Nazi Liga en sympathisanten als onder meer Billy Wilder, Peter Lorre, Ernst Lubitsch, Greta Garbo en Charly Chaplin is hem dat perfect gelukt. Daarnaast wist hij meer dan een miljoen dollar op te halen voor de partijkas.

Toen een jaar later de Spaanse burgeroorlog uitbrak, verdween Rudolf Breda van het toneel. In Spanje was Katz buiten de schijnwerpers actief. Het idee voor de Internationale Brigades komt uit zijn koker: buitenlandse communisten werden uit de Sovjetunie naar Spanje gestuurd voor de strijd tegen het fascisme. Later zijn hun gelederen versterkt met vrijwilligers uit andere landen.

Al die vrijwilligers waren vooraf gescreend door de Russische geheime dienst, die bij aankomst op Spaanse bodem hun paspoorten in beslag nam. Als ze ontgoocheld terug naar huis wilden, liepen ze grote kans geëlimineerd te worden door Russische agenten die op Spaanse bodem afrekenden met tegenstanders van het regime. Een van die wrekers was volgens ooggetuigen Otto Katz.

Ook was Katz zijdelings betrokken bij misschien de sluwste geldroof in de geschiedenis. De Spaanse regering beschikte over de op drie na grootste goudreserve ter wereld en de republikeinse minister van financiën – Juan Négrin – stemde erin toe die ‘uit voorzorg’ naar Rusland te verschepen. In het diepste geheim zijn 7800 kisten met goudstaven naar Odessa vervoerd. Het verhaal gaat dat Stalin zich bij aankomst van die goudschat een stuk in de kraag heeft gedronken. De enige die ooit nog iets terug gezien heeft van het Spaanse goud was Négrin. Op zijn bankrekening in Londen.

 

In tegenstelling tot Willi Münzenberg heeft Otto Katz nooit een moment getwijfeld aan de doelstellingen van het Stalinisme. Ook na zijn glorietijd in de jaren dertig bleef hij ijveren voor de wereldrevolutie. Tijdens de Tweede Wereldoorlog dook hij op in Mexico. Van daaruit organiseerde hij communistische steunpunten in Latijns-Amerika. Bij bezoeken aan Havana heeft hij de grondslag gelegd voor de Cubaanse revolutie.

Na de oorlog keerde Katz terug naar zijn geboorteland. In Praag verwierf hij bij de communistische omwenteling zoveel macht dat Stalin hem als een gevaar beschouwde. Otto Katz is in 1952 gearresteerd en tijdens het eerste schijnproces buiten de Sovjetunie veroordeeld tot de strop. De meesterspion had zijn eigen val niet voorzien.

Kristien gezien door Mark