Stokpaarden

Op mijn eerste werkdag bij het Instituut voor Sociale Geschiedenis werd ik in de koffiekamer aan de tand gevoeld. Ik was benoemd tot medewerkster van de afdeling Bakoenin op voorspraak van vertaler Charles B. Timmer. Als adjunct-directeur van het IISG wist hij dat ze daar verlegen zaten om een slavist. Een van mijn nieuwe collega’s vroeg mij wie het bij het rechte eind had, de anarchist Bakoenin of de socialist Marx. Ik bracht beduusd uit dat het wel vroeg op de dag was voor zo’n soort discussie, maar kon nauwelijks verbergen dat ik geen benul had van de onderlinge twistappels van die twee. Voor politieke theorieën had ik me nooit geïnteresseerd en de enige anarchist die ik ooit ontmoet had, nam ik niet erg serieus.

Die ontmoeting had een paar jaar eerder plaatsgevonden, in 1975. Ik werkte bij een jonge literaire uitgeverij. We waren met z’n drieën – Olivier Boelen als financieel directeur, Hans Sleutelaar als hoofdredacteur en ik zorgde voor de rest. Het bestaan van Boelen uitgevers b.v. verspreidde zich als een lopend vuurtje onder het schrijversvolk. En masse kwamen ze poolshoogte nemen of zij aan die nieuwe geldschieter werk konden slijten. Als erfgenaam uit een wijnkopersgeslacht stond Olivier bovendien bekend om zijn goedgevulde voorraadkelder, waar hij met gulle hand van schonk.

Op een dag zat de dichter Sybren Polet – geb. S. Minnema uit Kampen – aan tafel met het manuscript van een kinderboek, toen Boelen binnenstapte. Geïmponeerd door diens air van wereldburger, zei Polet plompverloren:

– Ik ben anarcho-syndicalist.

– En ik kapitalist,

kaatste Olivier terug. Daar had de schepper van ‘Mannekino’ niet van terug. Hij dronk zijn glas leeg en vertrok, zijn kinderboek onder de arm.

De term anarcho-syndicalisme bezat sindsdien voor mij iets komisch. Dat ik nu meewerkte aan het verzameld werk van de aartsvader van die beweging zag ik als puur pragmatisch. Banen voor slavisten lagen niet voor het opscheppen.

Het personeel van het IISG – socialisten, communisten, anarchisten en leden van schimmige splintergroeperingen – wekte naar buiten toe de indruk van één grote linkse gemeente. Maar van dichtbij waren zij om de kleinste pietluttigheden ernstig verdeeld. In de twaalf en een half jaar die ik heb doorgebracht in hun midden ben ik getuige geweest van voortdurende stammenstrijd en gekonkel.

 

De oorspronkelijke doelstelling van het IISG was de bestudering van de arbeidersbeweging en het socialisme. Na de oprichting in 1935 werd het Instituut al gauw een vluchthaven voor bibliotheken en archieven die door het oprukkende nazisme gevaar liepen. Stoffige verzamelaars met uit de hand gelopen hobby’s verkochten, vaak met bloedend hart, hun collecties.

De Oostenrijker Max Nettlau was zo’n man. Hij bezat naast een uitgebreide anarchistische bibliotheek ook manuscripten van Bakoenin, die in bezit kwamen van het IISG. Nettlau had tijdens de Grote Depressie zijn familiekapitaal zien verdampen en wist niet wat hij met zijn collectie aan moest. ‘Mijn kleine verzameling is een nogal onpraktisch groot meubelstuk; niet langer een stokpaardje maar een hele kudde wilde stokpaarden’, schreef hij aan een vriend. Bijna tien jaar heeft hij over de verkoop geaarzeld; Hitler’s annexatie van Oostenrijk gaf uiteindelijk de doorslag.

Het Instituut geniet wereldwijd bekendheid door het bezit van de schriftelijke nalatenschap van Marx en Engels. De verwerving daarvan is niet van een leien dakje gegaan. De Duitse Sociaaldemocratische Partij wilde haar archief, inclusief de Marx-Engels bescheiden, verkopen aan de hoogste bieder. Dit was het Russische Marx-Lenin Instituut (IML), dat een miljoenenaanbod deed en bovendien het morele eigendomsrecht claimde op de papieren van Marx. Het IISG kon daarmee niet concurreren en wachtte de uitkomst af. Maar de Russische onderhandelaars – strijdmakkers van Lenin – werden het slachtoffer van de Stalinistische schijnprocessen en lieten niets meer van zich horen. Zo is uiteindelijk in 1938 het archief voor niet meer dan 72.000 gulden naar Amsterdam gegaan.

Begin jaren negentig was ik als tolk betrokken bij een poging het Marx-Engels archief alsnog naar Rusland te krijgen. Dat is de directie van het IML tijdens onderhandelingen in Amsterdam en later in Moskou niet gelukt. Wel is toen besloten wederzijds kopieën uit te wisselen, zodat nu op twee plekken ter wereld de geschriften van Marx te raadplegen zijn.

De papieren van Trotski – tijdens de Stalinterreur in Rusland staatsvijand nummer 1 – bleken zelfs in het buitenland niet veilig. Leo Sedov, de zoon van Trotski, had manuscripten en brieven van zijn vader ondergebracht op de dependance van het IISG in Parijs. Daar werd tijdens een novembernacht in 1936 een deel van Trotski’s archief ontvreemd. Uit onderzoek bleek later dat een vertrouweling van Sedov voor Moskou spioneerde en dat de Russische geheime dienst achter de diefstal zat.

De Spaanse vakbond CNT – anarcho-syndicalisten! – ging geen zee te hoog om zijn archief terug te krijgen dat sinds de Spaanse Burgeroorlog bewaard werd op het IISG. Op een ochtend eind jaren zeventig fietste ik naar mijn werk. Bij aankomst kon ik niet naar boven omdat het trappenhuis bezet was door vertegenwoordigers van de CNT. Een groep baardige Spanjaarden, die vastbesloten leken daar te blijven tot aan hun eisen was voldaan.

De affaire leidde tot een mini-revolutie op het Instituut. Op last van de directie werd de politie erbij gehaald. Het personeel viel uiteen in voor- en tegenstanders van die aanpak. Uiteindelijk is de bezetting opgeheven en bleven de kisten in Amsterdam. Er was een compromis gesloten, maar tegen welke prijs. Het CNT-incident was aanleiding tot jarenlange felle haarkloverijen, een godsdiensttwist waardig.

 

In de statige grachtenpanden aan de Herengracht, waar het IISG gehuisvest bleef tot de funderingen dreigden te bezwijken onder de papieren van de revolutie, heb ik twee medewerkers van het eerste uur meegemaakt. Boris Sapir en Arthur Lehning waren in elk opzicht elkaars tegenpool. Sapir was een Russische mensjewiek die uit gevangenschap in Siberië had weten te ontsnappen naar Duitsland. Hij studeerde rechten in Heidelberg en promoveerde op kwesties van recht bij Dostojevski en Tolstoj. In 1933 ontvluchtte hij nazi-Duitsland en kwam naar Amsterdam. Bij het IISG werd hij hoofd van het kabinet Oost-Europa totdat de Duitse bezetter hem uit Nederland verjoeg en hij in New York terechtkwam. Al die tijd bleef Sapir actief als mensjewiek in ballingschap, op de bres voor zijn vaderland. Na zijn pensionering in 1967 keerde hij terug naar het IISG, waar hij Russisch materiaal uit de archieven publiceerde.

Behalve politieke archieven bezit het IISG een rijke literaire Russische bibliotheek. Ik heb er heel wat in kunnen grasduinen. Sapir kende mijn voorliefde voor de letteren en toen ik op een winterdag een boek moest raadplegen dat op zijn kamer lag, werd ik vergast op een onvergetelijke scène.

Sapir werkte samen met een medemensjewiek, Smirnov. Zij deelden een werkkamer aan de tuinkant, weg van het stadsrumoer. Daar heerste een ander tijdsbesef. Net toen ik binnenstapte bij de twee vergrijsde revolutionairen, begon het buiten te sneeuwen. Zonder elkaar aan te kijken, citeerden zij gelijktijdig in welluidend Russisch enkele versregels uit Poesjkin’s verhaal ‘De sneeuwstorm’:

        

Plotseling stuift een sneeuwstorm op,

          dikke vlokken dalen.

 

Bijna elke Rus kent zijn klassieken en heeft altijd wel een passend citaat paraat.

 

Mijn directe chef, Arthur Lehning, was prozaïscher ingesteld. Hij had een paar jaar colleges economie gelopen in Rotterdam bij professor Posthumus, de latere oprichter van het IISG. Vanwege zijn aandeel in de acquisitie van het Nettlau-archief kreeg Lehning het beheer over diens collectie. Tijdens de Duitse bezetting verbleef hij in Engeland, waar een deel van de archieven in veiligheid was gebracht. Door Lehning’s uitgebreide netwerk in de anarchistische wereld is heel wat archiefmateriaal voor het Instituut verworven.

Toch is na Lehning’s overlijden zijn nalatenschap niet op het IISG beland, maar ondergebracht in een aparte stichting. Dat is op zijn zachtst gezegd merkwaardig voor een man met zijn verleden, maar niet verrassend voor wie hem heeft gekend. Lehning mag als onderzoeker zijn verdiensten hebben, als mens liet hij een spoor van conflicten na.

Hij liet mij eens een briefje zien van Alexander Schapiro, een Russische anarchist met wie hij in de jaren twintig in Berlijn bevriend was. Het moet rond 1982 zijn geweest, toen Hans Keller voor de VPRO een filmportret maakte over Lehning’s Berlijnse tijd. Het briefje was in het Russisch en Lehning had het nooit gelezen. Of ik het wilde vertalen. Het was een kattenbelletje waarin Schapiro in niet mis te verstane termen zijn banden met hem verbrak. De precieze formulering ben ik vergeten, maar het kwam er op neer dat hij Lehning een slecht karakter verweet.

Toen Arthur mij de dag erop om de vertaling vroeg, gaf ik hem een toegevouwen papiertje. Er stonden mensen om hem heen en ik wilde hem besparen dat iemand mee zou lezen. Hij wierp er een steelse blik op en ik zag hem even licht verstijven. Dit was wel het laatste wat hij had verwacht. Met een effen gezicht stak hij het briefje vervolgens in zijn zak, knikte mij kort toe en loodste het gezelschap de kamer uit.

 

Het einde van de levenslange band van Lehning met het IISG werd ingeluid door een spraakmakende breuk op de Bakoeninafdeling. Voor de buitenwereld is het conflict toegeschreven aan een incompatibilité d’humeur tussen Lehning en zijn rechterhand, die het feitelijke hoofd van de afdeling was. De medewerkers die Lehning nu lieten vallen, waren door hem gevormd en hadden hem hoog op een voetstuk. Om onduidelijke redenen was dat opeens voorbij. Achteraf gezien ging het om een vadermoord. De afdeling van vijf personen viel uiteen. Voortaan waren er twee vijandige Bakoeninsecties, en ik bleef als ‘partijloze’ voor beide hand- en spandiensten verrichten.

Lehning stak geen poot uit om de breuk met zijn voormalige discipelen te lijmen. Integendeel, hij ijverde voor hun ontslag. Maar daarmee richtte hij de schijnwerper op zichzelf. De bewindvoerder die in 1983 was aangesteld om op het IISG schoon schip te maken, verzocht hem beleefd maar dringend plaats te maken voor de jonge garde. Lehning was over de tachtig en toucheerde nog steeds een hooglerarensalaris, zonder titel of tegenprestatie. Maar hij volhardde tot in extremis. Uiteindelijk moest de rechter hem met pensioen sturen. Dit affront had Lehning niet voor mogelijk gehouden en sindsdien was hij in oorlog met het Instituut. Geleende – kostbare – werken uit de bibliotheek werden niet teruggegeven en naar zijn papieren konden ze fluiten.

De Bakoeninafdeling die restte, is in gepaste stijl tenonder gegaan. De twee die zich van hun held hadden afgekeerd, kregen onderling ruzie. De een maakte onverwacht promotie binnen de rangen van het Instituut, terwijl de ander dat beschouwde als verraad aan hun anarchistische principes. Hun jarenlange hechte vriendschap bleek daartegen niet bestand, en dus werd er op wraak gezonnen. De ultieme ontploffing van de afdeling had net zoveel effect als een nat rotje, al was het in de ogen van de aanstichtster een geuzendaad.

Van hartje stad was het IISG verhuisd naar een sfeerloos gebouw op een industrieterrein aan de Kabelweg. Om het anarchistische werkrooster van de wetenschappers in lijn te brengen met hun ambtenarenstatus werd bij de ingang een prikklok geïnstalleerd. Dat deed de stoppen bij mijn veelgeplaagde collega doorslaan. Op een kwade dag kwam zij terug van haar middagpauze met een handje zand dat zij in de prikklok goot. Zij werd op staande voet ontslagen. De prikklok was de dag erop alweer gerepareerd. De eendagsterroriste is verdwenen in de krochten van de kraakbeweging.

Kristien gezien door Mark