Een meesterwerk in kreupelverzen

Het schijnt dat de Nederlandse letteren verrijkt zijn met een prestatie die in decennia niet is voorgekomen. Dat is tenminste de teneur van de kritiek bij het verschijnen van de vertaling van Jevgeni Onegin, het meesterwerk van de Russische dichter Aleksandr Poesjkin. In het koor van recensenten valt geen wanklank te bespeuren. ‘Een van de indrukwekkendste prestaties sinds de Babylonische spraakverwarring’, luidt het in een progressief ochtendblad. De criticus van een kwaliteitskrant meent zijn commentaar zelfs te kunnen beperken tot: ‘prachtig vertaald (wat een klus moet dat geweest zijn!)’. En als klap op de vuurpijl verschijnt binnenkort een speciaal Onegin-nummer van Tirade, waarin onder meer meestervertaler Marko Fondse in een essay van tachtig bladzijden de lof zingt van deze vertaling.

Waar gaat het om? Toen in 1958 bij Van oorschot in de Russische Bibliotheek het eerste deel verscheen van het Verzameld Werk van Poesjkin, werd in de flaptekst de uitgave aangekondigd van diens ‘roman in verzen’ Jevgeni Onegin. Charles B. Timmer, als hoofdredacteur van de reeks, kwam later op dit voornemen terug bij gebrek aan kwaliteit van de aangeboden vertalingen (twee in al die jaren).

Zo bleef Ruslands grootste dichter bijna dertig jaar lang vertegenwoordigd met maar één deel proza en toneelwerk in de reeks, die de klassieke Russische literatuur in Nederland bekend heeft gemaakt. Totdat Marko Fondse in zijn blad De Tweede Ronde in 1985 fragmenten publiceerde van een nieuwe vertaling –gemaakt door W. Jonker– waarvan de kwaliteit direct buiten kijf leek. Voor Timmer en uitgeverij Van Oorschot was de ideale vertaler van de Onegin opgestaan.

Aan deze gepensioneerde scheepsbouwkundig ingenieur wordt in de aanbiedingstekst van de vertaling een ‘absoluut gehoor voor poëzie’ toegedicht. Maar wie in diens Onegin-versie regels leest als: ‘dampweefsels hangen vaag te deinen’, ‘een schimmenheir stijgt in hem op uit diepe schachten van lust en smart’, ‘het mopgemutste rozenschoon van oude dames’, zal zich toch afvragen welk soort poëzie hier wordt bedoeld.

De poëzie van Poesjkin –want daar gaat het om– is levendig, direct, helder en logisch. Alledaagse en onalledaagse onderwerpen worden in dezelfde ongekunstelde taal beschreven. Poesjkin vond dat het taalgebruik van het gewone volk diepgaand moest worden onderzocht en heeft dat ook gedaan.

 

Jevgeni Onegin, waaraan hij meer dan zeven jaar heeft geschreven, beschouwde hij als zijn beste werk. Bij publikatie van het eerste hoofdstuk in 1825 prees hij het aan als een werk waarin, onder een laagje satirische humor, rake en tegelijk amusante observaties te vinden waren.

De betovering van de Onegin schuilt vooral in de dichterlijke schoonheid en het meeslepende karakter van de vertelling. De populariteit van dit vitale dichtwerk in Rusland is groot. Al meer dan 150 jaar wordt het voortdurend herdrukt; onlangs zelfs in een oplage van een miljoen exemplaren. Deze verzen van Poesjkin zijn gaan behoren tot de verleidingskunst. Vrouwen zwichten voor hun aanbidders bij strofen uit de Onegin.

De heer Jonker, die het Russisch niet beheerst, heeft zich laten bijstaan door redacteur Timmer, die hem vier jaar lang zijn op- en aanmerkingen heeft gestuurd. Uitgangspunt bij de herdichting was een letterlijke vertaling in onberijmd proza van Vladimir Nabokov.

Inhoudelijk zit de versie van Jonker en Timmer dan ook dicht op het origineel, maar qua woordkeus en rijm (en het een bepaalt bij hen vaak het ander) varen de heren een heel ander koers.

Wat het meest heeft geleden onder de Nederlandse bewerking is de toon van het dichtwerk. Van het sprankelende genie van Poesjkin, verheven en profaan tegelijk, is weinig over. Op iedere pagina struikel je over de gedwongen rijmen. Eindigt bij Poesjkin elke regel met een leesteken of een leespauze, de vertaling hobbelt van de ene regel door in de andere. Enjambementen die bij Poesjkin niet of nauwelijks voorkomen, zijn hier schering en inslag. Ronduit lachwekkend klinkt de vertaling in passages die met erotiek te maken hebben. Ziehier hoe beide bedaagde vertalers de gevoelens weergeven van een zeventienjarig meisje dat een brief aan haar geliefde schrijft:

         In dromen had ‘k je blik al lief

         die mij verwarde; hoe verhief

         mijn ziel zich als je stem daar klonk en

         weerklonk!… Maar ’t was geen dromerij!

         Je kwam, ik zag je onverwacht, ik

         herkende je, ‘k verloor mijn kracht, ik

         werd vlam en dacht: Hij is het, hij!

In de onomstreden Engelse vertaling van Charles Johnston (Penguin Classics, 1979) klinkt dat zo:

         Unseen, already you were dear;

         my soul had heard your voice ring clear,

         stirred at your gaze, so strange, so gleaming,

         long, long ago… no that could be

         no dream. You’d scarce arrived, I reckoned

         to know you, swooned, and in a second

         all in a blaze, I said: it’s he!

Hoe is het mogelijk dat de kritiek geen oog heeft voor die gewrongenheid? Ze lijkt wel met blindheid geslagen, net zoals dat het geval was bij de kreupele berijmingen uit het Russisch van oud-ambassadeur Frans-Joseph van Agt. Je houdt je hart vast dat dit soort amateuristische vertalerij tot standaard wordt verheven. Het is treurig te bedenken dat deze uitgave een werkelijk goede herdichting –als er al iemand was die het zou kunnen– voor tientallen jaren in de weg staat.

Dit curiosum van twee vergrijsde sinterklaasdichters doet in geen enkel opzicht recht aan Poesjkins meesterwerk. Ook al roept men om het hardst dat het wel zo is. Het was beter geweest als de Onegin onvertaald was gebleven.

 

1990

Kristien gezien door Mark