Slaaf van de literatuur

Het succes van zijn roman, die inmiddels in vele talen is vertaald, doet hem zichtbaar plezier. Andrej Bitov, ter gelegenheid van de verschijning van Het Poesjkinhuis in Nederland, is in puike stemming. Nog wat verkreukeld van de ontvangst in Amsterdam de avond tevoren, tref ik de schrijver in zijn hotel waar hij het eerste interview van die dag al achter de rug heeft. In gezelschap van zijn vrouw Natasja gaan we de stad in om te lunchen. Zijn spraakcentrum verkeert nog onder invloed. Hij loopt te oreren zonder acht te slaan op het verkeer.

‘Rusland is ziek. Als je in het buitenland bent merk je pas hoe ziek. Dat ziekteproces wil ik beschrijven in een volgend boek. Mijn eigen ervaringen zijn daarvoor niet bruikbaar; ik ben al te oud en te cynisch. Maar ik gebruik mijn vrouw als studiemateriaal. Zij is voor het eerst buiten Rusland en ik bestudeer al haar reacties.

‘Bij ons heerst een enorme chaos. Er is geen schoonheid, er zijn geen levensmiddelen. Dat is rampzalig, want een mens hoort alles te hebben en te beseffen waarom hij concreet leeft. Het geloof dat er vroeger een foute zienswijze heerste en daarvoor nu een juiste in de plaats zou komen, druist in tegen alles wat er bij ons gebeurt. Niemand wil aannemen dat een beter idee door iedereen aanvaard zou worden.’

 

Zijn betrokkenheid bij de maatschappelijke veranderingen in de Sovjetunie is groot. Hij heeft nooit zelfs maar overwogen om te emigreren en is verbaasd dat hem in het buitenland die vraag zo vaak wordt gesteld. ‘Ik zie het verleden niet als een nederlaag. Ik heb geen voorkeur voor links of rechts, of voor wat dan ook. Ik weet alleen dat de pijn van het verleden bestanddeel moet worden van de nieuwe situatie. Wij bekwamen ons momenteel in het parlementarisme. Dat is iets fantastisch en ongehoords. Maar ik zie dat parlementsleden bang zijn voor wat er kan gebeuren als ze dit of dat toestaan. Dat vind ik onbegrijpelijk. Hoe kan je nou bang zijn na alles wat wij hebben meegemaakt? Wat valt er voor ons nog te vrezen? Waar zijn ze bang voor? Laat het leven toch zijn gang gaan. De mensen hebben overleefd wat eigenlijk niet te overleven was. Daar kunnen we trots op zijn; geen enkel ander volk heeft zoiets meegemaakt: zoveel stront, zoveel terreur, zoveel dood. Ieder ander volk zou zijn bezweken. Maar wij zijn overeind gebleven. Wij hebben reden om te zeggen: ik leef en dit ben ìk. Wat kan ons eigenlijk nog gebeuren? Wij hebben alles al gehad.’

‘Dat heet historisch optimisme,’ valt natasja hem bij.

 

Bitov woont met haar en hun elf maanden oude zoontje in het schrijversdorp Peredelkino, dat vooral verbonden is met de naam van Pasternak. Collega’s als Jevtoesjenko, Voznesenski en Achmadoelina zijn er de naaste buren. Geboren in Leningrad (1937) stamt hij uit de generatie die door zijn stadgenoot Joseph Brodsky is omschreven als ‘de meest leesgrage in de Russische geschiedenis’. Die kennis van en vooral het plezier in de literatuur blijkt op iedere bladzijde van Het Poesjkinhuis.

De held van de roman, Ljova Odojevtsev, is een jonge literatuurhistoricus die werkt in het Poesjkinhuis, een instelling van de Academie van Wetenschappen waar de archieven van de belangrijkste Russische schrijvers zijn ondergebracht. Ljova is de auteur van een aantal briljante literatuurstudies die niet gepubliceerd konden worden omdat de auteur zijn eigen mening gaf. Onderwerp van de roman is het leven van de held tijdens het Breznjev-tijdperk. De auteur is voortdurend in het verhaal aanwezig in de vorm van een alwetende verteller. Als een virtuoos jongleur herschikt hij telkens opnieuw zijn stof in terzijdes, varianten en epilogen. Aan het slot van het boek gaat hij zelfs bij zijn held op bezoek om te zien of die is zoals hij hem zich heeft voorgesteld.

 

Ook in gesprek wijdt Bitov voortdurend uit. Van een verhaal over oude foto’s van Indianen die hem deden denken aan portretten van Kafka vanwege eenzelfde blik in hun ogen, tot aan zijn ontmoeting met ‘de enige gelukkige mens op aarde’ op een piepklein eilandje in de Adriatische zee. Maar telkens komt hij terug op de literatuur. We zitten inmiddels bij Sociëteit Arti aan het Rokin. Onze binnenkomst (gestuntel met een magnetisch pasje dat de deur moest openen) werkte op zijn lachspieren: Russische toestanden!

Het interieur van de sociëteit valt zeer in de smaak, de schilderijen worden bekeken, het biljart uitgeprobeerd. Bitov vertelt dat hij in Cambridge een keer een Engelse club wilde bezoeken. Dat bleek alleen te kunnen via een hoogleraar die niets in zijn werk zag, en aanvankelijk niet bereid was hem te introduceren. Eenmaal binnen, bleek die club er totaal anders uit te zien dan hij zich had voorgesteld. Maar Arti klopt helemaal met zijn fantasiebeelden.

 

‘Ik denk dat literatuur een fatale bezigheid is. En hoe vaker ik me bevrijd voel van de aandrang om te schrijven, des te meer ik daarvan overtuigd raak. Ik ben een slaaf van de literatuur, maar ik wil me onafhankelijk maken. Mezelf wijs maken dat het niet zoveel voor me betekent, dat er belangrijker dingen in het leven zijn dan schrijven. Ik probeer me op die manier onkwetsbaar te maken. Het is een reactie op mijn pretentie onafhankelijk te zijn van de literatuur.

‘Er is een begrip uit de Bijbel dat heel belangrijk is voor de Russische literatuur: de verootmoediging van een trots mens. Dat wordt tegenwoordig helemaal verkeerd begrepen, als een soort vernedering, omdat de traditie van slavernij de poëtisering van dat begrip verhindert. Verootmoediging is geen slaafse handeling. Maar de hele mentaliteit schrijft voor dat ootmoed iets vernederends is. Ik weet niet of dat woord iets betekent voor de westerse wereld, omdat daar die problematiek niet bestaat. Maar voor Rusland is het een sleutelprobleem. Verootmoediging van de trotse mens. En die trotse mens blijkt een slaaf te zijn. Trots is de hoogste vorm van slavernij.’

 

De perestrojka maakt volgens Bitov de noodzaak om te schrijven kleiner. ‘Naarmate er meer informatie beschikbaar komt, wordt de behoefte om te schrijven minder. Zo was ik heel lang van plan een essay te schrijven over Michaïl Zosjtsjenko, een schrijver die ik zeer bewonder en die een grote invloed op mij heeft gehad. Maar nu zijn voormalige woning wordt ingericht als een museum, heb ik een televisieprogramma over hem gemaakt.’

In zijn roman zegt Bitov dat Zosjtsjenko, wiens literaire loopbaan in 1946 werd vernietigd doordat zijn werk aan de schandpaal werd genageld, het meest heeft geleden. ‘Zosjtsjenko was een heel naïeve man, zoals het een satiricus beaamt. Hij werd niet gestraft vanwege één verhaal, maar omdat hij Zosjtsjenko was. De enige vorm van erkenning in Rusland is beulswerk. Als je gestraft wordt, ben je erkend. Dat is een heel vreemd historisch verschijnsel dat ik wil beschrijven. Wanneer een kunstenaar zijn werk voltooid heeft, verwacht hij een straf die zijn werk waardig is. Alleen een kunstenaar weet echt wat hij heeft gemaakt. Hoe origineel zijn werk is, welke uitwerking het zal hebben, hoe het zal voortleven, hoe het zijn tijdperk zal veranderen. Het kan bij verschijnen best een onbelangrijk boek lijken. Maar tien jaar later kunnen zijn woorden gemeengoed zijn geworden, zonder dat iemand nog over de auteur rept.

‘Een schrijver vreest straf, omdat hij weet wat hij gedaan heeft. Maar hij wordt gestraft door mensen die niet weten wat hij heeft gedaan. Want die hebben absoluut geen smaak, geen enkele fantasie. De fantasie van de schrijver is net zo groot als zijn angst. En hoewel zijn moed passief is, is die verschrikkelijk groot. Ik weet niet of het nog te volgen is wat ik zeg, maar ik vind het zelf interessant om er naar te luisteren,’ mompelt hij verontschuldigend.

 

Hij zit erbij alsof we elkaar al jaren kennen. Zijn vrouw Natasja is in de wolken: ‘Vers sinaasappelsap! Wat een geluk! Ik weet niet hoe het komt, ik ben gisteren pas aangekomen, maar ik voel me hier volkomen op mijn gemak.’

‘Dat komt omdat je in de vrije wereld bent,’ legt hij haar uit als een ervaren globetrotter. ‘Geloof me, ze hebben hier alles, ook hun eigen rottigheid’.

 

1989

Kristien gezien door Mark