Het mysterie Boris Pasternak

Een dichter van het ouderwetse slag was hij, de Nobelprijswinaar van 1958, Boris Pasternak. Buiten zijn vaderland voornamelijk bekend als de auteur van Dokter Zjivago (met name de mierzoete filmversie, niet de roman), is hij in de Sovjet-Unie vooral legendarisch om zijn poëzie.

Bij hem geen hemelbestormende thema’s zoals bijvoorbeeld bij zijn tijdgenoot Majakovski. Pasternaks grote thema is de liefde: zijn dichtwerk is vooral geïnspireerd door de vrouwen in zijn leven en Dokter Zjivago is het verhaal van een liefde tegen het decor van revolutie en burgeroorlog. Pasternak vond die liefdesgeschiedenis belangrijker dan de gebeurtenissen die er de achtergrond van waren. De mens beschouwde hij als een deel van de natuur, niet van de staat. Politiek was in zijn ogen identiek aan holle frasen, onrecht en geweld.

Die a-politieke houding was op zijn zachtst gezegd lichtzinnig in een tijd waarin Russische schrijvers met geweld een maatschappelijk bewustzijn werd opgedrongen. Hij kreeg dan ook al heel vroeg het verwijt dat hij maar zat te schrijven over het weer in plaats van te reageren op de actuele politieke thema’s van de sovjetmaatschappij.

Natuur speelt in zijn vroege gedichten een belangrijke rol. Het ontstaan van kunst uit de natuur was een van Pasternaks geliefkoosde onderwerpen. ‘Poëzie ligt aan uw voeten in het gras,’ sprak hij in 1934 op het eerste congres van de Russische schrijversbond in Moskou, ‘zodat u slechts hoeft te bukken om haar te kunnen zien en op te rapen.’

 

Het nieuwe van zijn poëzie was dat hij natuurverschijnselen beschreef in onorthodoxe poëtische taal. De verheven clichés waarmee de natuur gewoonlijk werd aangeduid, verving hij door alledaagse bewoordingen, die hij in zo’n ongebruikelijke relatie tot de natuur plaatste dat deze werd ervaren als iets onbekends.

Hoewel Pasternak een geboren dichter was, ontdekte hij de poëzie pas op zijn drieëntwintigste. Zoon van de schilder Leonid Pasternak en de pianiste Rosa Kaufmann, leek hij te zijn voorbestemd voor een muzikale carrière. Tijdens zijn gymnasiumjaren wijdde hij zich aan de compositieleer en speelde hij zijn creaties voor aan huisvriend Aleksandr Skrjabin. Het welwillende oordeel van deze componist woog voor Pasternak niet op tegen zijn gemis van een absoluut gehoor. Om die reden brak hij met de muziek.

Hij ging filosofie studeren in Moskou en werd als briljant student uitgezonden naar de universiteit van Marburg. Daar, in een crisis om een afgewezen liefde, begon hij poëzie te schrijven. Hij keerde de wetenschap de rug toe en in de zomer van 1913 schreef hij, gezeten in het ‘luchtpriëel’ van een berkenboom, het ene gedicht na het andere.

Het schrijven was een overrompelende ontdekking voor Pasternak. Hij bundelde zijn produktie van die zomer onder de symbolistische titel Tweeling in de wolken. Later betreurde hij het deze ‘onrijpe’ gedichten in druk te hebben gegeven. Anna Achmatova oordeelde over de vroege poëzie van Pasternak: ‘In het begin schreef hij maar raak; hij zwalkte, bruiste, kookte, vergaloppeerde zich. Maar later bond hij in, werd hij contemplatief.’

 

In zijn Autobiografische geschriften, die ter gelegenheid van Pasternaks honderdste geboortedag (10 februari 1990) zijn verschenen in de reeks Privé-Domein van de Arbeiderspers, verklaart Pasternak niet te houden van zijn stijl van voor 1940. De ‘slordigheid en oneffenheid’ ervan zijn hem dan inmiddels wezensvreemd geworden. Hij beschouwde zijn werk uit die periode als verouderd en heeft voor een bloemlezing van zijn poëzie in 1957, die nooit is gerealiseerd, heel wat onsterfelijk geworden gedichten willen schrappen of verbeteren.

De titel die Pasternak aan dit proza gaf is verwarrend. Zijn eigen biografie komt alleen ter sprake waar de biografie van een ander dat noodzakelijk maakt. De twee hoofdteksten van het boek, Vrijgeleide uit 1930 en het latere Mensen en toestanden (1957) – dat oorspronkelijk was bedoeld als inleiding bij de eerder genoemde bloemlezing – bevatten, naast herinneringen, overpeinzingen over kunst en de menselijke creativiteit.

‘Wij zijn allemaal slechts mens geworden in de mate waarin we van mensen hebben gehouden en in de gelegenheid waren van ze te houden.’ Met deze uitspraak schildert Pasternak een beeld van zijn leven. Zo formuleert hij in Vrijgeleide zijn gecompliceerde houding tegenover de vrouwen die bij hem een gewaarwording opriepen van ‘naakte, gesloten gelederen van leed’. Over zijn eerste huwelijk met de schilderes Zjenja Loerié bekent hij schuldbewust iets te hebben gesticht waartoe hem de vereiste bekwaamheden ontbraken. Op zijn tweede vrouw, Zinaïda Nikolajevna, werd hij verliefd toen ze nog getrouwd was met de pianist Heinrich Neuhaus. Tegen de geliefde van zijn laatste levensjaren, Olga Ivinskaja, zei hij over haar: ‘Toen ik nog maar een jaar met Zina samenleefde, ontdekte ik mijn fout: ik hield niet van haar maar van Heinrich, wiens pianospel mij betoverde.’

Ondanks – of misschien ook dankzij – zijn moeizame amoureuze lotgevallen bleef hij vrouwen op een voetstuk zetten. In een brief aan Nina Tabidze, weduwe van een Georgische dichter die door Pasternak in het Russisch was vertaald, schreef hij in 1953: ‘Vanaf mijn kinderjaren heb ik een schuchtere verering gevoeld voor de vrouw. Mijn hele leven hebben haar schoonheid, haar plaats in het leven, deernis met haar en angst voor haar mijn gebroken en verbijsterd.’

Pasternak was een vat vol tegenstrijdigheden: verstrooid, briljant, goedgelovig, achterdochtig, hartelijk, egocentrisch, maar bovenal charismatisch. Anna Achmatova, die in haar Ontmoetingen met Lidija Tsjoekovskaja vaak vol ergernis spreekt over zijn monomanie, werd tegelijkertijd onweerstaanbaar tot hem aangetrokken. Die aantrekkingskracht op vrouwen was Pasternak een raadsel. Zelf heeft hij zich ooit beschreven als onverdraaglijk en oninteressant als man, onvergeeflijk en onverklaarbaar zwak.

 

Van een aantal tijdgenoten die hem dierbaar waren, geeft hij in zijn autobiografische proza rake en fijnzinnige typeringen. Uitvoerig gaat hij in op het leven en lot van Majakovski, de ‘zingende Vliegende Hollander’, met wie hij in zijn jonge jaren verwant was. Later groeiden zij uit elkaar. Majakovski heeft het verschil tussen hem en Pasternak als volgt getypeerd: ‘Ja zeker, we zijn inderdaad heel verschillend. U houdt van de bliksem aan de hemel, maar ik zie hem liever in een elektrisch strijkijzer.’

Ontroerend is Pasternaks karakteristiek van Marina Tsvetajeva, de vrouw in wie hij zoveel dichterlijk talent ontwaarde dat, als je het door tien deelde, het tien volwaardige dichters zou opleveren. In Mensen en toestanden voorspelt hij haar postume roem en herwaardering. Tussen Marina Tsvetajeva en Boris Pasternak heeft een stormachtige romance in brieven bestaan, die zo intens was dat herhaling in het gewone leven onmogelijk leek. Zij hebben elkaar maar een paar keer in levende lijve ontmoet.

Pasternak ontdekte Tsvetajeva’s poëzie pas toen zij al geëmigreerd was naar Praag. Hij schreef haar een enthousiaste brief naar aanleiding van haar gedichten en dat was het begin van hun briefwisseling, die zijn hoogtepunt bereikte in het midden van de jaren twintig. ‘Boris, Boris,’ schrijft zij hem in juni 1926, ‘wat zouden wij samen gelukkig zijn... zowel in deze wereld als in de andere, die al helemaal in ons bestaat… Wat een harmonie zou er zijn. Mijn liefste, scheur je hart los: het is vol van mij. Kwel jezelf niet. Leef. Laat je niet in de war brengen door je vrouw en kind. Pak wat je krijgen kan, nu je nog zin hebt om te pakken! Denk eraan dat het bloed ouder is dan wij, zeker bij jou, een semiet. Probeer het niet te temmen. Bekijk alles van lyrische, nee, van epische hoogte!’

Voor deze onbesuisde hartstocht deinsde de wankelmoedige Pasternak terug en zijn ontmoetingen met Tsvetajeva liepen dan ook uit op een teleurstelling. Maar hun gevoel van creatieve verwantschap was echt en het respect voor elkaars dichterschap groot. Haar tragische lot –zij pleegde zelfmoord in 1941– verwoordde hij aldus: ‘Haar leven was heroïsch. Iedere dag verrichtte zij een soort heldendaad. Dat deed ze uit loyaliteit voor het enige land waarvan zij een burger was: de poëzie.’

 

Pasternak was een groot brievenschrijver. Tijdens de jaren van de Stalinterreur, waarin hij behalve vertalingen niet kon publiceren, zette hij zijn gedachten omstandig uiteen in brieven. Zijn correspondentie bestreek alle delen van de wereld. Die brieven vormen Pasternaks eigenlijke autobiografie. Een Russische editie ervan is in de maak en zal naar schatting zes banden van vierhonderd pagina’s beslaan.

Een omvangrijk deel van die correspondentie, in 1988 verschenen in het Nederlands, vormt de briefwisseling met zijn nicht Olga Freidenberg. Zij schreven elkaar van 1910 tot aan Olga’s dood in 1955. De tussenliggende periode is een van de woeligste uit de Russische geschiedenis: revolutie, burgeroorlog, terreur, Tweede Wereldoorlog en de ideologische en culturele pogrom van 1946, waarvan zij beiden slachtoffer werden.

Olga Freidenberg had klassieke talen gestudeerd en was de eerste vrouw in Rusland die promoveerde. Zij ontwikkelde zich tot een eminente taalgeleerde en zette een leerstoel klassieke talen op in Petersburg. Om haar onafhankelijke denkbeelden werd zij gedurende haar hele wetenschappelijke loopbaan vervolgd.

Pasternak was in zijn puberteitsjaren verliefd op Olga Freidenberg. Zijn brieven uit die periode tintelen van een onderhuidse spanning die zijn gevoelens voor haar verraden. Ook later, wanneer zijn eerste huwelijk op de klippen dreigt te lopen, zoekt hij heil bij zijn nicht. Hoewel Olga haar leven lang zeer tot Pasternak bleef aangetrokken, heeft zij hem als minnaar altijd afgewezen.

De waarde van deze briefwisseling ligt in het diepe geestelijke contact tussen beiden. Als lezer zie je twee mensen uit een verfijnd, intellectueel milieu opgroeien van romantische adolescenten, zich uitend in hoogdravende beeldspraak, tot markante persoonlijkheden die tegen de stroom van de geschiedenis in hun idealen verwerkelijken.

In een brief aan Freidenberg van 13 oktober 1946 spreekt Pasternak voor het eerst over zijn plan een roman te schrijven die zijn magnum opus moet worden. Hij wilde daarin een karakteristiek geven van Rusland tijdens de eerste helft van deze eeuw en er zijn opvattingen in uiteenzetten over ‘kunst, het Evangelie, het leven van de mens in de geschiedenis, en nog veel meer’. Al zijn werk voorafgaande aan Dokter Zjivago beschouwde hij als een opmaat tot deze roman.

 

Dokter Zjivago is een autobiografie van de geest. Pasternak noemde de roman zijn alter ego, waarin bijna tastbaar sommige delen van zijn innerlijk en zijn zenuwstelsel waren overgeplant. Olga Freidenberg schreef haar neef na lezing: ‘De rillingen liepen over mijn lijf bij de filosofische passages, ik was gewoon bang dat opeens het uiteindelijke mysterie onthuld zou worden dat je in je draagt, dat je je hele leven probeert uit te drukken, hoopt uitgedrukt te zien in kunst of wetenschap en waarvoor je doodsbenauwd bent, omdat het een eeuwig raadsel hoort te blijven.’

Pasternak schreef zijn roman uit een gevoel van schuld. In een interview kort voor zijn dood heeft hij er het volgende over gezegd: ‘Toen ik Dokter Zjivago schreef had ik het gevoel van een immense schuld jegens mijn tijdgenoten. De roman was een poging die in te lossen. Dat schuldgevoel werd sterker naarmate de roman langzaam vorderde. Na zoveel jaren van dichten en vertalen vond ik het mijn plicht een verklaring af te leggen over ons tijdperk – over die jaren, al zo veraf maar tevens nog zo dicht bij ons. De tijd begon te dringen. Ik wilde het verleden vastleggen en in Dokter Zjivago de prachtige en gevoelige kanten van het Rusland van die dagen ervaren. Er zal geen terugkeer zijn naar de dagen van onze vaders en voorvaders, maar ik voorzie dat in de toekomst hun waarden zullen herleven. Ik heb geprobeerd ze te beschrijven.’

 

Hierin ligt de actualiteit van Pasternak besloten. De schrijver als nationaal geweten, die de tot systeem verheven huichelarij in zijn land aan de kaak stelt. ‘Men kan niet zonder schadelijke gevolgen voor de gezondheid dag in dag uit zich volkomen anders voordoen dan men zich voelt, zich uitsloven voor iets waar men niet om geeft, zich verheugen over iets dat ongeluk brengt.’

Geschreven als een a-politiek boek, werd de roman tegen de wil van Pasternak een politiek symbool. De reacties van de machthebbers waren voorspelbaar. De redactie van het blad Novyj Mir, die hij de roman ter publikatie had aangeboden, retourneerde het manuscript met een botte afwijzing. Omdat hij zijn levenswerk toch gedrukt wilde zien, gaf Pasternak het aan een buitenlander, die het aan de Italiaanse uitgever Feltrinelli bezorgde.

In november 1957 verscheen de roman, eerst in een Italiaanse vertaling en kort daarop in het Russisch. Het boek was onmiddellijk een wereldsucces: binnen twee jaar verschenen er vertalingen in vierentwintig talen. Behalve in Rusland; daar brak een storm van verontwaardiging los over de auteur, die werd uitgemaakt voor een op zichzelf verliefde Schöngeist en decadent. Hij zou in zijn roman de Revolutie hebben verraden en belasterd; de hoofdpersoon Zjivago zou niets meer zijn dan een versleten intellectueel van nul en generlei betekenis.

Toen Pasternak in 1958, na twee keer te zijn voorgedragen, de Nobelprijs voor literatuur kreeg wegens zijn ‘belangrijke bijdrage zowel aan de hedendaagse lyrische poëzie als op het gebied van de grote Russische prozatraditie’, was het hek van de dam. Had hij aanvankelijk spontaan gereageerd met een telegram aan de Zweedse Academie (‘oneindig dankbaar, geroerd, trots, verbaasd, verlegen’), binnen enkele dagen werd hij geprest vrijwillig afstand te doen van de prijs en de roman.

Een felle perscampagne kwam op gang, gevolgd door zorgvuldig voorbereide ‘spontane’ demonstraties tegen Pasternak. De meeste mensen die een rol speelden in die hetze, hadden evenwel geen letter van de roman gelezen. Pasternak voelde zich zo in het nauw gedreven dat hij Olga Ivinskaja voorstelde samen zelfmoord te plegen. De benodigde pillen had hij al bij elkaar.

 

Aan deze schande is kortgeleden een einde gekomen. Begin dit jaar heeft in Stockholm een besloten plechtigheid plaatsgevonden, waarbij Jevgeni Pasternak, zoon uit het eerste huwelijk van de schrijver, de Nobelprijs alsnog symbolisch in ontvangst heeft genomen. In zijn dankwoord prees hij de perestrojka waardoor het mogelijk werd de weigering van zijn vader, die niets van doen had met de prijs maar alles met de politieke situatie in zijn land, ongedaan te maken. De parafernalia van de prijs zullen een plaats krijgen in het zojuist geopende Pasternakmuseum in Peredelkino, waar de schrijver van 1935 tot aan zijn dood in 1960 heeft gewoond; het geldbedrag is niet uitgekeerd omdat de prijs inmiddels was verjaard.

De steen des aanstoots, de roman Dokter Zjivago, is dertig jaar na dato in Rusland gepubliceerd in het blad Novyj Mir. In 1989 bracht een toneelgezelschap in Leningrad de roman op de planken. De tijden waarin zijn ideeënwereld werd verguisd, lijken voorgoed voorbij. De plechtige opening van het Pasternakmuseum werd zelfs voorafgegaan door een kerkdienst in Peredelkino geleid door de metropoliet van Moskou. In het Poesjkinmuseum aldaar wordt momenteel een overzichtstentoonstelling gehouden, waarop alle uitgaven van Pasternak voor het eerst bijeenliggen. Van zijn verzameld werk in vijf delen is vorig jaar het eerste deel uitgekomen.

Pasternak was zich ervan bewust dat zijn werk hem zou overleven en heeft geprobeerd het leven in de kunst te vatten. Hij heeft het zelf zo geformuleerd: ‘Kunst is altijd zonder ophouden met twee dingen bezig. Zij denkt voortdurend na over de dood en creëert daardoor voortdurend leven.’

 

1990

Kristien gezien door Mark