Het gesjacher van een broodschrijver

Aan het einde van zijn leven maakte Dostojevski in een brief aan een bewonderaarster ongewild de balans op van zijn schrijverschap: ‘Letterlijk de hele literatuur is mij vijandig gezind, alleen heel lezend Rusland is dol op mij.’ Kort daarvoor had hij in het openbaar triomfen gevierd tijdens de Poesjkinfeesten van 1880 in Moskou. Daar hield hij een rede waarin hij Poesjkin’s betekenis als vertolker van de Russische volksheid benadrukte, een standpunt dat hem lijnrecht plaatste tegenover de toonaangevende westers gezinde intellectuelen onder aanvoering van Toergenjev.

Die volksheid was een waarde waarvoor Dostojevski zijn hele leven had gestreden. Het geloof in de nationale zelfstandigheid van Rusland te midden van de Europese volkeren was volgens hem gebaseerd op de krachten van het Russische volk. Daarom kon hij zich zo kwaad maken op de socialisten die zich, prat gaande op hun europeïsme, verheven voelden boven het volk.

Zijn kennis van het Russische volk had Dostojevski ironisch genoeg juist te danken aan het socialisme. In april 1849 was hij gearresteerd wegens zijn deelname aan bijeenkomsten ten huize van Boetasjevitsj-Petrasjevski, een aanhanger van de utopisch socialist Fourier. Beschuldigd van een samenzwering tegen de regering werd de hele groep ter dood veroordeeld. Op het schavot, met de lijkwade al aan, werd hun vonnis gewijzigd in dwangarbeid in Siberië. Aan zijn vier kampjaren heeft Dostojevski volgens eigen zeggen een schat aan volkstypes en karakters overgehouden, genoeg voor hele boekdelen.

 

Met die kennis schiep hij typische, door en door Russische figuren die nog niet eerder aan bod waren gekomen in de Russische literatuur. Misschien is dat een verklaring voor de weerstand die hij bij zijn literaire tegenstanders opriep. Karel van het Reve rept in zijn Geschiedenis van de Russische literatuur van het bestaan van de anti-Dostojevski-club, waarvan hij zelf ook het lidmaatschap claimt. Die tegenzin is zelden onverdeeld. Toergenjev noemt bijvoorbeeld in een brief uit 1866 het eerste deel van Misdaad en straf prachtig, terwijl het tweede deel volgens hem riekt naar misselijk makend zielsgepeuter. Zelfs Karel van het Reve, verantwoordelijk voor keuze en commentaar bij de recente briefuitgave van Dostojevski, gaat niet zover àl diens werk als keukenmeidenromans af te doen. Het is jammer dat hij in zijn verbindend commentaar niet wat vaker blijk geeft van zijn ergernis jegens de schrijver. De sprankelende en ironische manier waarop hij ooit de briefwisseling tussen Toergenjev en Tolstoj aan elkaar schreef, weet hij hier maar zelden te evenaren.

Zijn keuze om Dostojevski neer te zetten als broodschrijver levert een fascinerend beeld op van diens eeuwige gesjoemel en gesjacher om aan geld te komen: rechten op de uitgave van zijn werk werden beleend en episoden uit een roman omgebouwd tot novellen, bestemd voor een andere uitgever. Pas wanneer hij helemaal aan de grond zat, begon hij te schrijven – een werk dat hem verschrikkelijk tegenstond. Hoewel Dostojevski ook een hekel had aan brieven schrijven, kon hij het toch niet laten. Alleen al in dit deel van de Russische bibliotheek zijn 209 brieven opgenomen, voornamelijk aan familie, vrienden en zakenrelaties. Ook beantwoordde hij altijd de brieven van zijn lezers. In zijn commentaar spreekt Van het Reve van de geestdrift, openhartigheid en naïeviteit waarmee Dostojevski op zulke brieven inging. Die laatste constatering van de commentator verraadt een huisbakken kijk op deze grote schrijver, die uit zijn brieven tevoorschijn treedt als allesbehalve onnozel, maar juist als een kenner van het leven met een scherp inzicht in menselijke verhoudingen.

 

1990

Kristien gezien door Mark