De geboorte van een anti-sovjetheld

Het schrijversduo Ilf en Petrov vormde een gouden koppel. Hun eerste gezamenlijke produktie, De twaalf stoelen uit 1928, is een onsterfelijk geworden schelmenroman. Dat boek stak zo naadloos in elkaar dat iedereen dacht dat het geschreven was door één auteur. Maar het was juist de combinatie van deze twee totaal verschillende schrijvers die leidde tot hun succes. De ironische waarnemer Ilf en de onuitputtelijke fantast Petrov stonden samen aan de wieg van de spitsboef Ostap Bender, het sovjetbroertje van soldaat Schwejk.

Ilja Ilf was de tegenpool van Jevgeni Petrov. Hij was timide en zei niet veel, maar als hij sprak waren een paar woorden genoeg om iemand de mond te snoeren. Ilf heette eigenlijk Ilja Fainzilberg en stamde uit Odessa, waar hij in 1897 werd geboren in het gezin van een bankbediende. Zijn vader kon de eindjes maar met moeite aan elkaar knopen en Ilja, die de oudste was, zocht na zijn schooltijd dan ook al gauw een baan. Hij pakte alles aan voordat hij begon met schrijven; zo werkte hij als technisch tekenaar, telefoonmonteur, bankwerker, boekhouder en administrateur.

Vanaf zijn schooltijd las Ilf alles wat los en vast zat. Hij was een groot bewonderaar van Majakovski vanwege diens virtuoze taalbeheersing, iets wat hij zichzelf ook eigen zou maken. Ilf was nieuwsgierig en hield ervan om mensen te observeren. Konstantin Paustovski beschrijft in zijn memoires hoe de lange, broodmagere Ilf als telefoonmonteur met een ladder door Odessa sjouwde. Boven op die ladder hielden zijn melancholieke ogen, die schuilgingen achter een knijpbrilletje, alles wat er onder hem gebeurde scherp in de gaten. Ilf had voortdurend binnenpret; hij zag humor waar een ander niets zag.

Het was moeilijk om met Ilf bevriend te raken. Hij was gevreesd om zijn scherpe tong. Maar de ongecompliceerde Jevgeni Petrov had daar geen moeite mee. Zijn goedmoedige karakter maakte dat hij gemakkelijk met iedereen overweg kon. Petrov was zes jaar jonger dan Ilf. Hij kwam ook uit Odessa en was de zoon van een geschiedenisleraar. Petrov heette eigenlijk Jevgeni Petrovitsj Kataev, maar om verwarring te voorkomen met zijn broer Valentin Kataev – die een bekende romanschrijver was – koos hij een pseudoniem.

Jevgeni Petrov wilde aanvankelijk helemaal geen schrijver worden. Hij was rechercheur van beroep en joeg, gewapend met een pistool, op het geboefte van Odessa: paardendieven, illegale stokers en smokkelaars. Het enige dat hij schreef waren processen-verbaal. Maar in 1923 belandt Petrov in Moskou, in het voetspoor van zijn broer Valentin Kataev. Die was naar de hoofdstad verhuisd, omdat daar de meeste tijdschriftredacties waren gevestigd. Petrov probeert in Moskou werk te vinden als rechercheur, maar eindigt als opzichter bij een ziekenhuis. Valentin neemt hem mee naar de redacties en overreedt zijn broer om te gaan schrijven. Zo ontstaan Petrov’s eerste verhalen en feuilletons.

 

Zonder Valentin Kataev was Ostap Bender nooit tot leven gekomen. Het was bij Valentin thuis dat Petrov in 1925 kennis maakte met Ilja Ilf. Ook Ilf was naar Moskou getrokken en werkte daar voor het vakbondsdagblad van de spoorwegen, goedok. Hij schreef voor de achterpagina van die krant, waar brieven van lezers werden afgedrukt. Die ingezonden brieven werden echter zo drastisch bewerkt door de redacteuren dat ze onherkenbaar werden. Onder hun pen veranderden ze in korte satirische verhalen.

De redactie van de achterpagina was gevestigd in een klein kamertje. Daar zat een select groepje schrijvers uit Odessa – onder wie Isaak Babel en Michaïl Boelgakov – grijnzend lange repen papier vol te pennen. Niemand zette zonder dringende noodzaak een stap in dit vertrek. Het stond bekend als een bolwerk van ironie en wie er binnentrad, kon rekenen op een spervuur van spitsvondigheden. Aan de wand hing een muurkrant met de titel ‘Kreten en Scheten’. Ilf was er in zijn element en ontpopte zich in korte tijd tot een meester in het satirische genre.

Op het moment dat Ilf en Petrov elkaar ontmoetten, waren ze ieder in staat een goed krantenstuk te leveren. Maar valentin Kataev, die in 1926 schitterde met een satirische roman, bracht hen op een beter idee. ‘Ik wil allang een werkplaats openen voor de sovjetroman,’ hield hij het tweetal voor. ‘Ik speel voor Dumas père en jullie zijn mijn nègres. Ik geef jullie steeds een thema op, jullie schrijven de romans en ik kijk ze na. Ik laat mijn meesterhand een paar keer door jullie manuscripten gaan en klaar...’ En hij gaf hun de plot voor een avonturenroman: stoelen, in één waarvan een schat verborgen zit.

Ilf en Petrov namen zijn plan over en zo ontstond in de zomer van 1927 het monsterverbond tussen beide schrijvers dat tien jaar standhield, tot aan de dood van Ilja Ilf. Al die jaren bleven ze elkaar met ‘u’ aanspreken, hoewel ze tien tot twaalf uur per dag samen waren. De milde humor van Petrov vermengde zich organisch met de bijtende spot van Ilf. Maar vanzelf ging dat niet.

 

Na de dood van Ilf heeft Petrov bekend dat samen schrijven niet twee keer zo gemakkelijk was, maar tien keer zo moeilijk. Ze hadden voortdurend hevige kritiek op elkaar. Elk van de twee had een vetorecht en er kwam geen zin op papier voordat ze het samen eens waren. Dat ging gepaard met felle protesten en veel geschreeuw, vooral van de kant van Petrov. Ilf was veel radicaler in het schrappen van wat in eerste instantie een goede vondst leek. Maar wat uiteindelijk overbleef, was gebeeldhouwd proza.

Ze schreven ’s avonds na hun dagelijks werk in het redactielokaal van goedok. Op de nachtwaker na was er niemand in het gebouw. In een walm van tabaksrook gingen ze door tot in de kleine uurtjes. Petrov schreef in een prachtig en gelijkmatig handschrift hele vellen vol, terwijl Ilf in een stoel hing of liep te ijsberen.

Het allermoeilijkst was de eerste zin. Jevgeni Petrov vertelt in zijn herinneringen dat ze nerveus waren, zich kwaad maakten, elkaar opjoegen en urenlang zwegen, niet in staat een woord uit te brengen. Vervolgens begonnen ze geanimeerd een gesprek over iets dat niets te maken had met hun onderwerp. Daarna vervielen ze opnieuw in stilzwijgen. Ze wierpen elkaar blikken toe van afkeer en onbehagen. Tot daar opeens de eerste zin was – een doodgewone, onopvallende zin. Toen die eenmaal op papier stond, was het ergste leed geleden.

De openingszin van De twaalf stoelen kwam van Ilf. ‘In de districtsstad N. waren zoveel kapsalons en begrafenisondernemingen dat het leek of de inwoners enkel en alleen ter wereld kwamen om geknipt en geschoren te worden en, het hoofd besprenkeld met een fris lotionnetje, meteen te overlijden.’ Hiermee was de toon van het boek gezet. De lezer begreep meteen dat hier wat te lachen viel.

 

Ilf en Petrov hebben de plot van de verborgen schat uitgewerkt tot een satire op de tijd waarin zij leefden. Dat waren de jaren twintig, de periode van wederopbouw in de Sovjetunie. De revolutie en de burgeroorlog hadden het land aan de rand van de afgrond gebracht. Hongersnood heerste op grote schaal. Besmettelijke ziekten als tyfus en cholera hielden huis. De industrie was volledig ingestort. Inflatie leidde tot ruileconomie en lonen werden in natura uitbetaald.

Uit vrees voor contrarevolutie besloot Lenin toen tot een versoepeling van de communistische dictatuur. Daartoe introduceerde hij de Nieuwe Economische Politiek (nep) die het vorderen van voedsel verbood en een bepaalde mate van vrije handel toestond. Tussen 1921 en 1928 werden tal van bedrijven geprivatiseerd. Kleinhandelaren verschenen ten tonele. Cafés en restaurants schoten als paddestoelen uit de grond. De nep vertoonde al gauw onvervalst kapitalistische trekjes. Zo ontstond een kaste van ‘vrije jongens’ die het binnen de kortste keren tot sovjetmiljonair schopten.

Behalve de economie profiteerde ook de literatuur van die betrekkelijke vrijheid. De censuur was minder streng en bespotting van de uitwassen van de nep werd door het regime zelfs aangemoedigd. Er bloeide een levendige satirische literatuur op, waarin een heldenrol was weggelegd voor sympathieke schurken die het sovjetbestel uitbuitten. De beroemdste van die types is Ostap Bender.

Met zijn schoenmaat 42, zijn hoge voorhoofd omkranst door blauw-zwarte krullen, was deze 27-jarige dichter en polygamist van Turkse afkomst aanvankelijk bedacht als een bijfiguur. Maar allengs neemt hij het heft uit handen van de hoofdpersoon, de verlopen aristocraat Vorobjaninov, die de wettige erfgenaam is van de stoelen met de verborgen schat. Geen zee gaat Bender te hoog in zijn speurtocht naar de stoelen, die na de revolutie zijn onteigend en over het hele land verspreid geraakt. ‘Hij hield van geld en leed onder het gebrek daaraan,’ zo moest volgens hem zijn grafschrift luiden.

In De twaalf stoelen gaat Ostap bender uiteindelijk aan zijn geldzucht ten onder. Maar Ilf en Petrov konden het lange tijd niet eens worden over het slot van de roman. Moest hun held dood of mocht hij blijven leven? Ze trokken er lootjes om en toen was het gebeurd met Ostap Bender. Hij werd gekeeld met een scheermes. Maar in hun tweede roman Het gouden kalf stapt hij weer hondsbrutaal rond. Weliswaar met een lelijk litteken in zijn hals, maar vastbeslotener dan ooit om rijk te worden. Deze keer lacht het geluk hem toe en slaagt hij erin miljonair te worden, zij het niet voor lang.

 

Bij de verschijning van De twaalf stoelen was Ilf dertig, Petrov vierentwintig. Het publiek lag krom om de avonturen van Ostap Bender en diens taalgebruik werd gemeengoed. Ondanks – of dankzij – hun grote succes bij het publiek werden Ilf en Petrov door de literaire kritiek niet serieus genomen. Pas in 1931, bij de verschijning van Het gouden kalf in tijdschriftafleveringen, gaf die zich gewonnen. Publikatie van deze roman in boekvorm liet echter op zich wachten. De periode van politieke tolerantie was voorbij en satire werd niet langer getolereerd. Van een geplande Ostap Bender-trilogie is het helaas nooit gekomen.

Het succes van Ilf en Petrov was voor een groot deel te danken aan het hoge werkelijkheidsgehalte van hun werk. Voor de avonturen van Ostap Bender putten zij uit eigen waarnemingen, uit kranten, films en tijdschriften. De vele reizen die zij voor hun krantenwerk maakten, leverden het materiaal voor de tochten van Bender kriskras door het Sovjetrijk. De laatste collectie kwinkslagen en vloeken die zij op straat opvingen, vonden hun weg naar de romans. Ilf en Petrov zijn rasvertellers en hun tempo ligt constant hoog. De schare van hun bewonderaars is niet beperkt gebleven tot land- en tijdgenoten. Sinds de eerste publikatie zijn de belevenissen van Ostap Bender in vele landen vertaald en ze worden nog steeds opnieuw uitgegeven. Een eerste Nederlandse vertaling van De twaalf stoelen dateert al uit 1931. Die debuutroman van Ilf en Petrov is in Rusland herhaaldelijk verfilmd. Het niet aflatende succes bewijst dat de auteurs erin geslaagd zijn de Russische toestanden naar een tijdloos plan te tillen.

 

1995

Kristien gezien door Mark