De meester van de stilte

Zijn nieuwsgierigheid kende geen grenzen. ‘Een mens moet alles weten. Dat is onsmakelijk, maar interessant.’ Isaak babel, wiens honderdste geboortedag op 13 juni werd gevierd, observeerde het leven met ware hartstocht. Hij kreeg mensen gemakkelijk aan de praat en kon urenlang naar hen luisteren. Zij vertrouwden hem dingen toe die ze aan geen ander zouden prijsgeven.

Een levenskunstenaar werd hij genoemd. ‘Wij zijn geboren om genot te smaken in ons werk, in vechtpartijen, in de liefde. Daarvoor zijn we geboren en nergens anders voor.’ Daar was hij al op zijn twintigste van overtuigd. Babel was een charmeur en genoot succes bij de vrouwen. ‘Maak nooit het hof aan intellectuelen,’ hield hij zijn vrienden voor. Zoek je minnaressen onder wasvrouwen en linnenmeisjes. Die simuleren niet.’

Uiterlijk leek hij in niets op de beroemde schrijver die hij vanaf 1926 was. Met zijn ronde rug, zijn stierennek, het vriendelijke gezicht met de grote neus en het gekreukelde voorhoofd, zijn priemende ogen verborgen achter een ijzeren brilletje, deed hij eerder denken aan een dorpsonderwijzer of een handelsreiziger. Maar zodra hij begon te praten, gingen zijn ogen fonkelen en veranderden de kreukels in zijn voorhoofd in lachrimpels. Hij was een rasverteller en de toehoorders waren niet bij hem weg te slaan.

        

Geboren in het getto van Odessa als zoon van een joodse koopman, was Babel van kindsbeen af omringd door schilderachtige types: van rabbi’s tot rovers en dieven. Het leven in de zuidelijke havenstad bruiste, vooral in de Moldavanka-wijk waar Babel opgroeide. De verhaalstof lag er voor het oprapen.

De kleine Isaak had zijn ogen niet in zijn zak en was bovendien begiftigd met een ongebreidelde fantasie. Alles wat hij hoorde en zag dikte hij tegenover zijn vriendjes nog eens flink aan. Het was zijn manier om respect te veroveren bij zijn klasgenoten. Als een van de zeer weinige joodse leerlingen was babel toegelaten tot het gymnasium van Odessa, in een tijd waarin pogroms schering en inslag waren. Ook de familie van Babel bleef niet gespaard voor die periodieke uitbarstingen van jodenhaat. Tot de slachtoffers behoorde zijn grootvader, van wie hij het talent om te schrijven had geërfd. De oude man had de gewoonte om dagelijks zijn belevenissen neer te pennen in een groot schrift. Dat voorbeeld nam Babel al jong over.

Uitgangspunt bij alles wat hij schreef was de werkelijkheid. ‘Ik neem iets onbelangrijks – een anekdote, een verhaal dat ik op de markt heb gehoord – en maak er iets van waar ik zelf niet meer van los kom,’ zei hij een keer over zijn aanpak. Aan onderwerpen heeft het Isaak Babel dan ook nooit ontbroken. Waar hij mee worstelde was het schrijven zelf.

Babel schreef langzaam en weinig. Wat hij nastreefde was helderheid en gespierdheid van taal. Die was volgens hem pas bereikt als alle overbodige woorden uit een zin waren geschrapt. Iedere zin moest één gedachte en één beeld bevatten, meer niet. Hem is wel verweten dat hij te korte zinnen schreef. Volgens Babel kwam dat voor een deel door zijn chronische astma. ‘Ik kan niet lang van stof zijn. Daar heb ik niet genoeg adem voor. Hoe meer lange zinnen, des te meer ademnood.’

‘Dwangarbeid,’ heeft Babel het schrijven genoemd. Nooit tevreden over een tekst, begon hij telkens weer opnieuw. Van sommige verhalen maakte hij tientallen versies. Hij gaf een verhaal pas uit handen wanneer iedere komma op de juiste plek stond.

        

Een hoge graad van perfectie heeft hij met die werkwijze bereikt in zijn verhalencyclus Rode Ruiterij, over de strijd van het Russische kozakkenleger tegen de Polen in 1920. De verhalen verschenen eerst los in tijdschriften. Uitgave in boekvorm maakte Babel beroemd tot ver buiten de grenzen. Op lakonieke toon doet hij verslag van de ergste gruwelen: hoe mensen, in extreme situaties gebracht, elkaar afslachten. In die verhalen komt niet één kleurloze zin voor. Hij spreekt op dezelfde toon over de sterren aan de hemel en syfilis. Zijn personages paren bloeddorst aan mededogen, doortraptheid aan onschuld, rebelsheid aan behoudzucht. ‘Laten we sterven voor zoute komkommers en de wereldrevolutie!’

Babel figureert zelf in die verhalen als de afstandelijke verteller. Met een koel oog legt hij de menselijke wreedheid vast. De barbaarse taferelen uit die oorlog ontsproten niet aan zijn fantasie, zoals hem later is verweten. Hij had ze aan den lijve ondervonden. Op aanraden van Gorki, die hem in 1916 liet debuteren, was babel kort daarop met schrijven gestopt. Gorki vond dat hij eerst maar eens levenservaring moest opdoen.

Zo kwam het dat babel heeft gevochten in het tsaristische leger, na de revolutie heeft gewerkt als tolk voor de geheime politie, en in 1920 dienst nam als officier in het kozakkenleger van generaal Boedjonny. Onder een Russische schuilnaam was hij getuige van de gruweldaden van de kozakken tegen de overwegend joodse bevolking. Isaak Babel wist dat een revolutie niet zonder bloedvergieten verloopt: ‘De Internationale wordt gegeten met kruit en een saus van bloed.’ Zijn tragiek was dat de Russische maatschappij steeds intoleranter werd tegenover de waarheid. Babel’s onopgesmukte uitbeelding van de plunderingen en de wreedheden van de kozakken werd beschouwd als een aanfluiting van de revolutie.

 

Langzaam maar zeker kwam er een einde aan de creatieve vrijheid en onafhankelijkheid. Voortaan moest kunst een boodschap hebben. In de literatuur werd de zogenaamde ‘positieve held’ geïntroduceerd, voor wie de revolutionaire idealen heilig waren. Maar Babel’s helden waren juist het slachtoffer van die idealen.

Na publikatie van de cyclus Rode Ruiterij en zijn humoristische Verhalen uit Odessa werd het in 1926 stil rond Isaak Babel. Aan nieuw werk kwam hij niet meer toe, opgeslokt als hij werd door allerlei andere beslommeringen. Toch gaf hij de moed niet op. In een brief aan zijn familie in Brussel schrijft hij: ‘In een zo eensgezind land als het onze kan het niet uitblijven of er ontstaan bepaalde clichés en die clichés wil ik de baas worden. Ik wil nieuwe gedachten, gevoelens en een nieuw ritme in onze literatuur brengen. Er is helaas niets anders dat me in beslag neemt.’

Babel’s eerste vrouw, zijn zuster, zijn moeder en schoonmoeder waren de een na de ander naar het buitenland vertrokken. Zijn vrouw al in 1925, zijn schoonmoeder als laatste in 1927. Dit eerste huwelijk van Babel was geen succes. Hij had zijn vrouw ontmoet in Kiev, waar hij als student over de vloer kwam bij de importeur van landbouwmachines Gronfein. Babel werd verliefd op de jongste dochter, Zjenja, en wilde met haar trouwen. Maar de vader vond hem een armoedzaaier en gaf geen toestemming. Toen zijn ze er samen vandoor gegaan naar Odessa. Op oudtestamentische wijze vervloekte Gronfein het huis Babel tot het tiende geslacht en onterfde zijn dochter. Ze trouwden in 1919, maar leefden vaak gescheiden.

Twee keer is Babel haar in Parijs gaan opzoeken. De Sovjetautoriteiten boden hem een uitreisvisum in ruil voor zijn werk aan scripts voor de filmindustrie. Het geld dat Babel daarmee verdiende was voor hem van vitaal belang, want behalve vrouw en dochter teerden ook Babel’s moeder en zuster in Brussel grotendeels op zijn zak. In Odessa had hij twee oude tantes die hij geld toestopte en een oom die hij moest redden uit de handen van de justitie als die weer eens werd betrapt op valutaspeculatie. Daar kwam nog bij dat hij in 1934 een nieuw gezin begonnen was met Antonina Pirozkova.

 

Zijn werkzaamheden voor de filmindustrie hadden Babel geen windeieren gelegd. Begin 1938 beschikte hij over een eigen woning in Moskou. In Peredelkino was speciaal voor hem een buitenverblijf gebouwd. Hij had een optie op een stuk bouwgrond in Odessa aan de beste kuststrook van de Zwarte Zee. In Moskou stond een achtcilinder Ford met chauffeur voor hem klaar en in zijn woning liepen een kokkin en een werkster rond.

Maar voor zijn eigen literaire werk had hij geen tijd meer. Hij stond inmiddels bekend als ‘meester van de stilte’. Wel koesterde hij nog plannen. Hij wilde een cyclus verhalen schrijven, in de trant van Rode Ruiterij, over de collectivisatie. Hij was gefascineerd door de situatie van de boeren na de revolutionaire landbouwhervormingen van Stalin. Enkele fragmenten daarvan zijn bewaard gebleven. Ze tonen een Babel die de kluts kwijt was. Zij stijl is verwaterd, er is geen spoor meer van zijn vroegere vitaliteit. Hier en daar sluipt zelfs een ‘positieve held’ het verhaal binnen.

Zijn laatste publikaties dateren van 1937. Een jaar daarvoor was Maksim Gorki overleden. In hem verloor Babel niet alleen een persoonlijke vriend, maar ook een invloedrijke beschermer. Van nu af aan was hij vogelvrij. Uit recent onderzoek in de archieven van de KGB is gebleken dat Babel al sinds 1934 in de gaten werd gehouden.

 

In de vroege ochtend van 16 mei 1939 werd Isaak Babel van zijn bed gelicht. Hij verdween in de krochten van de Loebjanka-gevangenis om er niet meer levend uit te komen. Zijn ondergang was het gevolg van de val van Stalin’s beul Jezjov. Onder diens schrikbewind als hoofd van de geheime politie tussen 1936 en 1938 werden zes miljoen zogenaamde ‘volksvijanden’ gearresteerd. Tienduizenden van hem werden geëxecuteerd.

Jezjov, die klein van stuk was en mank liep, was een alcoholist. Uit zijn dossier, bewaard gebleven in het Loebjanka-archief, komt hij tevoorschijn als een sadist. Mensen die hem hinderden liet hij uit de weg ruimen. Onder hen was ook zijn vrouw, Jevgenia Gladoen. Zij was de directe schakel tussen Jezjov en Babel.

Met haar had Babel in 1927 een verhouding in Berlijn, dat hij aandeed op weg naar zijn vrouw in Parijs. Gladoen werkte als typiste bij de Sovjet-handelsvertegenwoordiging. Bij haar terugkeer in Moskou, het jaar daarop, zetten zij hun relatie voort. Pas in de tweede helft van 1929 kwam er een einde aan. Zij trouwde met Jezjov en Babel heeft haar later nog een paar keer thuis bezocht. Hij bleef geboeid door deze vrouw, en niet minder door haar machtige echtgenoot. Jezjov was echter zo jaloers op Babel dat hij hem na zijn eigen arrestatie heeft aangegeven als spion. Tegen zijn ondervragers verklaarde hij dat Babel samen met zijn vrouw een complot beraamde tegen Stalin.

        

Babel wist dat zijn ontmoetingen met de Jezjovs gevaarlijk waren, maar zijn nieuwsgierigheid won het van zijn angst. Hij liep al jaren rond met het plan om een boek te schrijven over de Tsjeka – de voorloper van de KGB. Hij verzamelde dokumentatie, had ontmoetingen met tsjekisten en maakte notities van hun gesprekken.

Bij Gorki thuis ontmoette Babel op een keer Jagoda, de toenmalige chef van de geheime politie. Hij vroeg hem hoe hij zich moest gedragen als hij in zijn handen zou vallen. ‘U moet alles ontkennen,’ had Jagoda geantwoord. ‘Dan kunnen wij niets doen.’

Die raadgeving heeft Babel niet in praktijk kunnen brengen. De protocollen van zijn verhoor tonen aan dat hij al snel schuld bekende bij alles wat hem ten laste werd gelegd. Hij kleineerde zelfs zijn eigen werk.

Folteringen hebben Babel tot deze bekentenissen gebracht. Maar de maandenlange verhoren hebben hem uiteindelijk niet gebroken. Op de dag van zijn proces, 26 januari 1940, trok hij al zijn verklaringen in. ‘Ik heb gelogen omdat ik laf was. Ik ben nergens schuldig aan en vraag maar één ding. Dat ik de kans krijg om mijn werk af te maken.’

De dag na zijn proces is Babel geëxecuteerd. Iedere nacht werden de lijken van de Loebjanka vervoerd naar het crematorium van het voormalige Donskoj klooster. De as werd gestort in een massagraf op het kerkhof. Zo komt het dat Babel en Jezjov samen een graf delen. De grafsteen van de in 1938 vergiftigde Jevgenia Gladoen ligt op een paar meter afstand.

 

1994

Kristien gezien door Mark