Saluut aan een verdwenen Rusland

De Russische emigrant Ivan Boenin was al in de zeventig toen hij zijn beste verhalen schreef. In 1946 verscheen in Parijs zijn bundel Donkere lanen, die hij zelf zijn meest geslaagde vond. Niet eerder waren zijn verhalen zo bondig en beeldend. Nooit was de erotiek minder verhuld. Het zijn stuk voor stuk stilistische juweeltjes over liefde, hartstocht en dood.

dat was een grootse prestatie, vooral omdat hij de hoop ooit nog iets van belang te schrijven eigenlijk al had opgegeven. Tijdens de oorlog leidde Boenin een vergeten bestaan in Zuid-Frankrijk en zijn oude werk werd nog maar sporadisch herdrukt. Hij was ziekelijk en leed door zijn onregelmatige inkomen honger en kou. Aan een collega schreef hij in die tijd: ‘De wereld gaat ten onder. Er is niets en niemand om voor te schrijven. Vorig jaar kon ik het nog, maar nu ontbreekt me de kracht. Kille doodsangst, soep met aardappelen en aardappelen met soep.’

 

Toch was het nog geen tien jaar geleden dat Ivan Boenin wereldnieuws was geweest. In 1933 werd hem als eerste Russische schrijver de Nobelprijs voor literatuur toegekend. Hoewel niemand hem die prijs ooit heeft betwist, kleefde er duidelijk een politiek tintje aan. Al tien jaar lang was er een comité actief om hem, als Russische emigrant, voor te dragen als kandidaat. Bij de uitreiking van die prijs werd Boenin omstandig geprezen om het beeld dat hij in zijn werk heeft gegeven van het ‘verdwenen’ Rusland. Met begrip werd gesproken over de gevoelens waarmee hij de vernietiging van zijn vaderland moest hebben aangezien.

Was Boenin vijftig jaar eerder geboren, dan was hij waarschijnlijk niet zo in de vergetelheid geraakt. Dan zou hij als tijdgenoot van Tolstoj en Tsjechov gerekend zijn tot de klassieken van de negentiende-eeuwse Russische literatuur. Maar hoewel Boenin geldt als een auteur van de twintigste eeuw, schreef hij voornamelijk over het verleden. Daaraan dankt hij zijn reputatie als een ouderwetse schrijver.

Daar kwam nog bij dat hij nooit een geheim heeft gemaakt van zijn afkeer van moderniteit in de literatuur. Dat vond hij een uiting van vulgariteit, veroorzaakt door het morele verval van de samenleving. Om die reden verwierp hij ook de moderne kunst. Zelfs Rodin ging hem te ver. ‘Zijn Balzac is rotzooi,’ zei hij eens, ‘daarom hebben de duiven hem ook ondergescheten.’

Ook al spelen Boenin’s verhalen in de vorige eeuw, zijn verhaaltechniek is karakteristiek voor deze eeuw. Hij werkt met veranderende perspectieven, verschuivende tijden en tempowisselingen. Zijn verteltrant is sober, met veel aandacht voor het detail. Er is nauwelijks plot in zijn verhalen en weinig dialoog. Boenin is geen verkondiger van ideeën of een ontraadselaar van de menselijke ziel, maar een sfeertekenaar. Zijn werk staat vol observaties van mensen, stemmingen en van de natuur. En alles is zo messcherp weergegeven dat kleuren, geuren en geluiden bijna tastbaar worden.

 

Ivan Boenin werd geboren in 1870 in een adellijke familie op het platteland van midden-Rusland. Zijn vader was een energieke, zorgeloze man die in hoog tempo het familievermogen er doorheen joeg. Het grootste deel van zijn kapitaal stak hij in een privé-legertje dat strijd moest leveren tegen de Turken op de Krim. Boenin sr. liet het niet bij sturen van manschappen, maar trok zelf mee ten strijde. De Krimoorlog ruïneerde hem en bracht hem aan de drank. En dat terwijl hij tot zijn dertigste geen druppel alcohol had aangeraakt. Evengoed bereikte hij de gezegende leeftijd van tachtig jaar.

Boenin’s moeder was melancholiek van aard en werd haar leven lang gekweld door sombere voorgevoelens. Daar zijn er ook wel een paar van uitgekomen. Vijf van haar negen kinderen stierven op jeugdige leeftijd. Daardoor kwam het dat Ivan als kind veel alleen is geweest. Zijn oudere broers zaten in de stad op school, terwijl zijn jongere zusjes nog in de wieg lagen. Van zijn moeder leerde hij veel sprookjes. Boenin werd later een eminent kenner van de Russische taal en beschikte over een fabelachtige woordenschat.

Zijn onevenwichtige karakter moet een erfenis van beide ouders zijn geweest: hij was van nature opgewekt en vrolijk, maar kon ook vervallen in peilloze somberheid. De duistere kant van zijn karakter werd nog versterkt door de dood van zijn jongste zusje Aleksandra. Door die gebeurtenis besefte hij als kind al dat een mensenleven is gebouwd op los zand. Hoezeer hij ook van het leven hield, hij was er zich voortdurend van bewust dat de dood onafgebroken op de loer lag. Die obsessie zou hem niet meer loslaten.

Net als zijn vader had Ivan een hekel aan school; na vier jaar gymnasium hield hij het voor gezien. Verder onderricht kreeg hij van zijn oudere broer Joeli die thuis zat met huisarrest wegens revolutionaire activiteiten. De gesprekken met zijn broer en diens radicale vrienden konden Boenin echter geen politieke hartstocht bijbrengen. Daarvoor was hij te poëtisch aangelegd.

De uitgebreide bibliotheek van zijn vader bood genoeg lesmateriaal. Maar voor iets anders dan geschiedenis en literatuur toonde Boenin geen belangstelling. Hij begon te schrijven en op zijn zeventiende werd zijn eerste gedicht gepubliceerd. De kritieken op zijn eerste bundel gedichten waren niet ongunstig. Zijn verzen werden helder en simpel genoemd, al vond men ze te veel op proza lijken. Hoewel hij nog diverse poëziebundels zou publiceren, die ook bekroond werden, stapte hij halverwege de jaren twintig definitief over op proza.

 

Zijn verhalen hadden toen al grote ophef veroorzaakt. Boenin was de eerste die het plattelandsleven beschreef zonder enige idealisering. Bij hem zijn de boeren naar het leven getekend: als dieven, dronkaards, oplichters en moordenaars, die elkaar voor geen stuiver vertrouwen. Tot dan toe was de Russische boer in de literatuur afgebeeld als een zachtmoedig wezen met een aangeboren wijsheid, om wie een geur van heiligheid hing.

De adel komt er onder zijn onbarmhartige pen niet veel beter van af. De bezittersklasse is niet langer een oase van beschaving. Hij schildert haar af als verarmd en in moreel en fysiek verval verkerend. De afstand tussen meester en knecht – bij Tolstoj en Toergenjev nog een vanzelfsprekend gegeven – wordt bij Boenin volledig geslecht. Hoewel de een er materieel beter aan toe is dan de ander, is hun zieleven identiek. En de teneur van dat leven is tragisch en somber.

Boenin’s pessimistische levensbeeld bepaalt ook de toon van zijn latere verhalen. Hij was mateloos geboeid door liefde, passie en erotiek. Misschien kwam dat voort uit zijn angst voor de dood. Liefde is bij hem nooit idyllisch, altijd tragisch. De mens is ten prooi aan de grillen van het noodlot. Schoonheid en geluk zijn vergankelijk en vaak komt de dood als een bevrijding.

Met deze tijdloze problematiek paste hij in geen enkele literaire stroming van rond de eeuwwisseling. Hij hield zich dan ook afzijdig van de strijd tussen de rivaliserende literaire kampen. Hoewel hij aanvankelijk vriendschappelijk omging met de symbolisten, kon hij geen enkele waardering opbrengen voor de artistieke vernieuwing die zij nastreefden. Hun modernisme vond hij vulgair. Om die reden zijn ze later ook uit elkaar gegroeid.

Dat isolement bracht Boenin in verwarring. Hij vroeg zich af of hij het schrijven niet moest opgeven. In de ban van de leer van Leo Tolstoj nam hij rond zijn dertigste zelfs les bij een gesjeesde journalist om het vak van kuiper te leren. Maar Tolstoj, die nog met Boenin’s vader had gevochten in de Krimoorlog, raadde hem sterk af Tolstojaan te worden.

Jarenlang reisde Boenin door Rusland om indrukken op te doen voor zijn werk. Als redacteur, corrector, bibliothecaris werkte hij links en rechts om zijn geld te verdienen. Later maakte hij ook reizen naar het buitenland, van West-Europa tot het Midden-Oosten. Een tijdlang was hij in de ban van het boeddhisme. Daarin zag hij een manier om zich te bevrijden van zijn doodsangst door af te zien van iedere vorm van verlangen: naar roem, fortuin, geluk en zelfs van het verlangen om te leven. Maar de leer van Boeddha heeft hem niet de verwachte vrede gebracht.

Voor Boenin, die zich al voor de Eerste Wereldoorlog opwond over het verval van normen in de samenleving, was de Russische revolutie het startsein voor totale anarchie. Hij vluchtte uit Moskou naar Kiev en Odessa, waar hij nog twee jaar bleef. In die tijd hield hij een dagboek bij met notities die zijn walging van de bolsjewieken niet verbergen.

 

In 1920 arriveerde hij in Frankrijk, waar hij de eerste jaren bittere armoe leed. Al kon Boenin in Rusland bogen op een gedegen reputatie na een loopbaan van 33 jaar in de literatuur, in Parijs moest hij van voor af aan beginnen. Hij ging schrijven voor Russischtalige kranten en tijdschriften en werd een vooraanstaande figuur in de emigrantenwereld van Parijs. Na drie jaar had hij zijn leven zo georganiseerd dat hij een villa kon huren in Grasse, in het zuiden van Frankrijk. Daar woonde hij het grootste deel van het jaar. Slechts af en toe kwam hij naar parijs om met zijn uitgevers te praten.

In de stilte van het Franse platteland keerde Boenin terug naar zijn jeugd. Hier schreef hij zijn lange autobiografische verhaal het leven van Arsenjev, waarvoor hij de Nobelprijs zou krijgen. In die novelle portretteert hij de Russische adel in de laatste decennia voor de revolutie, waarin deze ten onder zou gaan. Tegelijk met de teloorgang van die klasse, waaruit Boenin tot zijn trots zelf stamde, beschrijft hij de verdwijning van het oude Rusland dat hem zo dierbaar was.

Zijn fotografische geheugen en zijn van jongs af aan geoefende opmerkingsgave kwamen hem nu goed van pas om lang vergeten gebeurtenissen en sferen te herscheppen. Die eigenschappen hebben ook een vervelende kant. Soms doet de minutieuze beschrijving van de natuur gedateerd aan. En als die, zoals in Mitja’s liefde, ook nog wordt vervlochten met de ontluikende liefde van een onhandige puber die aan het slot zelfmoord pleegt, krijg je een waar melodrama.

Toch hadden die jeugdherinneringen veel succes en zijn ze in vele talen vertaald. Boenin’s internationale roem was echter niet van lange duur. Hij leek door de tijd te worden ingehaald, men vond zijn verhalen ouderwets. Door het grote publiek werd hij snel vergeten. Zijn bron van inkomsten droogde op. Het geld van de Nobelprijs was inmiddels opgesoupeerd en nu was hij afhankelijk van giften van vrienden en bewonderaars.

 

Boenin kon die neergang niet verkroppen. Hij begon in woord en geschrift zijn gal te spuien over tijdgenoten die beroemder waren dan hijzelf. Alleen al bij het horen van de naam van Nabokov liep hij groen aan. De symbolisten maakte hij in zijn memoires met de grond gelijk. Hij was zo lichtgeraakt dat veel onderwerpen in de conversatie met hem taboe waren. Hij vroeg zich hardop af of hij in zijn leven wel alles bereikt had wat hij kon bereiken, of hij zich in zijn boeken wel volledig had uitgesproken.

Al die woede en onzekerheid leidden ertoe dat Boenin aan het eind van zijn leven eindelijk zijn masker liet vallen. In Donkere lanen schreef hij onverhuld over zijn obsessie met ‘het mysterieuze bleekroze vrouwenvlees, waartegenover heel de rest in het niet valt’. Zijn leven lang had hij geprobeerd de schoonheid van het vrouwenlichaam te beschrijven, maar was daarin volgens eigen zeggen nooit ontstegen aan middelmatigheid.

Ook al klaagde hij op zijn oude dag dat hij niet genoeg vrouwen had bemind, toch was Boenin vooral een Munderotiker. Zijn veroveringen zijn op de vingers van één hand te tellen. Na een jeugdliefde die vijf jaar standhield, werd hij op zijn 28ste verliefd op een vrouw van Griekse afkomst. Hij trouwde met haar in Odessa. Het huwelijk liep twee jaar later stuk, terwijl zijn vrouw zwanger was. Zijn enige zoon stierf als vierjarige aan roodvonk. In 1906 ontmoette hij Vera Moeromtseva, met wie hij hertrouwde en die tot zijn dood toe bij hem zou blijven. Zijn enige ‘misstap’ was de dichteres Galina Koeznetsova, die bijna tien jaar bij de Boenins in huis woonde en op wie hij hevig verliefd is geweest. Zij verliet hem in 1938, moe van zijn dwingelandij.

Tot op hoge leeftijd kon Boenin zich niet verzoenen met de gedachte aan de dood. Hij zocht het gezelschap van jongeren, die het leven nog voor zich hadden. Die beschouwden hem echter als een boze, sombere schrijver die treurt om zijn verloren jeugd en zijn uitgebluste wellust. Bovendien verweten ze hem uit te zijn op een verzoening met het Sovjetregime. En zo raakte Boenin beetje bij beetje uit de gratie.

Hoewel Boenin langzamerhand een anachronisme werd, geldt dat niet voor zijn werk. Dat is tijdloos, net als dat van zijn lievelingsschrijver Tsjechov, op wie hij ook lijkt. Beiden tonen zij het leven in een illusieloos licht. Boenin werkte aan een boek over Tsjechov toen de dood eindelijk toesloeg. Hij stierf, oud en eenzaam, op zijn 83ste aan een longaandoening in Parijs. In hetzelfde appartement waar hij 33 jaar eerder was begonnen aan zijn emigrantenbestaan.

 

1995

Kristien gezien door Mark