Levenslang in gevecht met zichzelf

Op zijn vijftigste had Leo Tolstoj alles bereikt waarvan hij had gedroomd. Als schrijver van Oorlog en vrede en Anna Karenina vierde hij literaire triomfen. Zijn huwelijksgeluk had hem de rust gebracht om die magistrale romans te creëren. Het succes ervan was zo groot dat hij de rest van zijn leven onbezorgd kon blijven schrijven. En op dat moment begon hij te twijfelen aan de zin van zijn schrijverschap.

Het was het begin van een ernstige crisis. Zijn hele bestaan kwam op losse schroeven te staan. Op het grote familielandgoed Jasnaja Poljana, omringd door zijn gezin en vele gasten, werd hij verteerd door eenzaamheid. Angst voor de dood wisselde af met de gedachte aan zelfmoord. Het duurde ruim drie jaar voor hij een uitweg vond. In de religie.

Na zijn bekering is Tolstoj nooit meer de oude geworden. Als een soort dertiende apostel schreef hij voortaan alleen nog stichtelijke verhandelingen. De romankunst verwierp hij als goddeloos. Die was immers alleen maar gebaseerd op fantasie. Hij predikte een eigen christelijke heilsleer, die geluk op aarde beloofde in plaats van in het hiernamaals.

Zijn moralistische brochures vonden gretig aftrek. Hij pleitte voor een fundamentele verandering van maatschappij, godsdienst en levenswijze. In literaire kringen deed het gerucht de ronde dat Tolstoj gek geworden was. Maar bewonderaars van de profeet van Jasnaja Poljana trokken in drommen naar het landgoed ten zuiden van Moskou om hem hulde te brengen. Een van zijn bezoekers was Anton Tsjechov. Die was jarenlang in de ban van Tolstoj’s leer. Tot hij zijn dwaling inzag en schreef: ‘Er huist meer liefde in elektriciteit en stoom dan in kuisheid en de weigering om vlees te eten.’

Uit zijn dagboeken blijkt dat Tolstoj leed aan een grenzeloos verlangen naar zelfvervolmaking. Al in zijn vroegste aantekeningen bindt hij de strijd aan met zijn zwakheden. En dat waren er nogal wat. Hij vond zichzelf aanstellerig, apathisch, bangelijk, besluiteloos, hoogmoedig, ijdel, instabiel, lui, altijd in de contramine, een naäper, te zelfverzekerd, zinnelijk en nog goklustig ook.

Om zijn ondeugden te bestrijden legde Tolstoj zich allerlei beperkingen en leefregels op. Zijn leven lang bleef hij in gevecht met zichzelf. In de loop der jaren zou hij zich – met meer of minder moeite – alles ontzeggen waar hij vroeger op gesteld was geweest. Alleen zijn lusten kon hij niet de baas.

 

Leo Tolstoj was op zijn vierendertigste getrouwd met de achttienjarige Sonja Behrs, dochter van een hofarts. Voor hun trouwen had hij haar zijn dagboeken laten lezen. Hij wilde open kaart spelen over zijn ruige vrijgezellenbestaan. Het jonge meisje, afkomstig uit een beschermd milieu, was geschokt door de beschrijving van zijn erotische avonturen. Later ontwikkelde zij een ziekelijke jaloezie tegen alle vrouwen die hij vòòr haar had bezeten.

De eerste twintig jaar van hun lange huwelijk waren idyllisch. Sonja was de ideale schrijversvrouw. Zolang er nog geen kinderen waren, hield zij haar man gezelschap bij zijn werk. En ’s avonds na het diner nam zij Tolstoj’s plaats in achter de schrijftafel. Dan schreef zij zijn produktie van die dag over in het net. Hoe druk zij het later ook kreeg met haar kroostrijke gezin, dat bleef haar dagelijkse taak.

het kopiëren van Tolstoj’s manuscripten was haar lust en haar leven. Er moest een loep aan te pas komen om de vele doorhalingen te ontcijferen. Het gekriebel in de kantlijn kon hij vaak zelf niet meer teruglezen. Iedere ochtend vond Tolstoj een schoon uitgeschreven kopie op zijn tafel. Die pende hij dan weer vol met nieuwe correcties. Het manuscript van Oorlog en vrede heeft zij zeven keer helemaal overgeschreven.

Dit werk gaf Sonja een gevoel van verbondenheid met haar man, die in veel opzichten voor haar een vreemde bleef. Hij leefde zijn eigen leven en bood haar niet de warmte en kameraadschap waarnaar zij hunkerde. Alleen ’s nachts, wanneer hij haar hartstochtelijk beminde, voelde zij hem nabij. Overdag was hij weer de koel observerende kunstenaar. ‘Hij houdt nooit echt van iemand,’ vertrouwde zij haar dagboek toe.

 

In de achtenveertig jaar van hun huwelijk zou Sonja Tolstoj dertien kinderen baren. Vier ervan stierven jong. De zorg voor de kinderen, het huishouden, het landgoed – alles kwam neer op haar schouders. Tolstoj ging volledig op in zijn eigen universum. Naarmate hij ouder werd, nam zijn neiging om zich af te zonderen steeds meer toe.

Dat leidde tot problemen toen het gezin in 1880 naar Moskou verhuisde om de oudste kinderen te laten studeren. Tolstoj kon het stadsleven niet verdragen en vluchtte terug naar Jasnaja Poljana. Een oude dienstbode die hem daar aantrof, schudde haar hoofd en mopperde: ‘U laat de gravin alleen met acht kinderen, terwijl u hier aan uw baard zit te plukken.’

Sonja raakte steeds meer vervreemd van haar man. Een passage uit haar dagboek spreekt boekdelen. ‘Ik zou willen dat hij gezond was, maar hij verknoeit zijn maag – de dokter beaamt het – door dingen te eten die niet goed voor hem zijn. Ik zou willen dat hij artistiek werk deed, maar het enige dat hij schrijft zijn preken. Ik zou willen dat hij teder was, meelevend, vriendelijk, maar als hij niet geil is, is hij onverschillig.’

 

Tolstoj ging ondertussen helemaal op in zijn nieuwe levenswijze. Hij beleed het principe van de armoede door links en rechts geld weg te schenken. Dit tot afschuw van zijn vrouw, die onder geen voorwaarden bereid was haar leven in betrekkelijke welstand op te offeren.

Ook in zijn kleding koos Tolstoj voor eenvoud. Hij droeg een lange boerenkiel over een wijde broek. Op het eerste gezicht onderscheidde hij zich in niets van de boeren op zijn landgoed. Een oude man met een lange witte baard, de korte gedrongen gestalte gehuld in een schaapsvacht, zijn ietwat kromme benen gestoken in viltlaarzen. Maar de vlijmscherpe blik waarmee hij zijn omgeving opnam, verried hoezeer hij afweek.

Waar hij moeilijk afstand van kon doen, was zijn uitgebreide bibliotheek. Net zomin als van zijn paarden, die hij tot op hoge leeftijd bleef berijden. Wel had hij de jacht afgezworen. Soms kon hij evenwel de verleiding niet weerstaan en trok hij er met zijn jongste dochter op uit om ‘vegetarisch’ te jagen. Dan lagen ze urenlang in een greppel overvliegende vogels te bespieden.

 

Met één doelstelling van zijn leer bleef Tolstoj eindeloos worstelen: het kuisheidsideaal. Hoezeer hij ook zijn best deed een kluizenaarsbestaan te leiden, telkens werd hij door Sonja in verzoeking gebracht. En nooit slaagde hij erin haar te weerstaan. Die zwakte rekende hij niet zichzelf aan, maar haar. En zo werd de kloof tussen hen nog dieper.

Iedere middag ontving Tolstoj zijn gasten, tronend aan een tafel vol lekkernijen en bediend door personeel in livrei. De zedenmeester van Jasnaja Poljana schaamde zich voor zijn volgelingen om die halfslachtigheid. Hij voelde dat hij de knoop moest doorhakken en zijn huis verlaten om in het zweet zijns aanschijns zijn eigen brood te verdienen of als een pelgrim te gaan bedelen om een korst brood. Maar hij was nog niet zover.

Op een zomeravond in 1887 werd op Jasnaja Poljana een uitvoering gegeven van Beethoven’s Kreutzersonate. Tolstoj was tot tranen toe geroerd. Die nacht maakte hij – hoezeer ook tegen zijn principes – Sonja voor de dertiende keer zwanger. In hèm ontkiemde diezelfde nacht het idee voor een novelle, De Kreutzersonate, waarin hij zou afrekenen met zijn verleden.

 

In een bezeten monoloog veegt de hoofdpersoon van dit verhaal de vloer aan met de idealen van de jonge Tolstoj. Huwelijk, liefde en trouw zijn niets dan perversiteit. Het gezinsleven is een opeenstapeling van walging, schaamte, verveling, vijandigheid, ruzies, afkeer en uitbarstingen van dierlijke hartstocht. Als de remmingen tussen twee mensen wegvallen, kan dat alleen maar leiden tot haat. En uit diepe haat heeft hij zijn vrouw vermoord.

Nog voor het verhaal gepubliceerd werd, was het een sensatie. Het huwelijk van Tolstoj ging al over de tong, maar nu was het een publiek geheim geworden. Sonja voelde zich vernederd en gekwetst nu haar privéleven te grabbel werd gegooid. Eerst probeerde zij haar man ervan te weerhouden De Kreutzersonate te publiceren. Maar toen de novelle door de censuur verboden dreigde te worden, was zij bang de inkomsten mis te lopen. Daarom vroeg zij een audiëntie aan bij de tsaar. Zij wist hem zo te charmeren dat hij toestemming gaf De Kreutzersonate op te nemen in het Verzameld Werk van Tolstoj.

Ook al had zij naar buiten toe partij gekozen voor Tolstoj, binnenskamers bleef Sonja lijnrecht tegenover haar man staan. Hij verweet haar overal geld uit te slaan; zij gooide hem voor de voeten dat hij zijn gezin aan de bedelstaf bracht. Om een einde te maken aan hun oeverloze geruzie werd besloten tot een compromis. Alle bezittingen van Tolstoj werden verdeeld onder zijn erfgenamen, alsof hij al overleden was. Nu was hij – althans op papier – een armoedzaaier. Sonja kreeg de auteursrechten op al zijn literaire werk, de rest – zijn filosofische geschriften – werd publiek domein.

 

Voor de editie van die laatste had Tolstoj een van zijn discipelen aangesteld, Vladimir Tsjertkov. Daarmee bezegelde hij onbewust de breuk met zijn vrouw. Tsjertkov en Sonja stonden permanent op voet van oorlog. Sonja was jaloers op de uren die Tsjertkov in Leo’s studeerkamer doorbracht en op diens duidelijke affectie voor zijn editor. Tsjertkov haatte Sonja om de invloed die zij op Tolstoj had. Hij hield haar verantwoordelijk voor het feit dat Tolstoj nog steeds op Jasnaja Poljana woonde en niet de consequenties trok van zijn eigen leerstellingen.

Tsjertkov was een geboren intrigant, die geen kans voorbij liet gaan om Leo en Sonja tegen elkaar uit te spelen. Tolstoj werd heen en weer geslingerd tussen zijn loyaliteit aan Tsjertkov en zijn medelijden met Sonja. Zij voelde zich allengs buitengesloten uit het leven van haar man, temeer omdat zij niet langer zijn manuscripten mocht kopiëren.

Die taak werd nu vergeven aan Aleksandra, de jongste dochter van Tolstoj en een van zijn trouwste volgelingen. Net als haar oudere zusters, Tatjana en Masja, was Aleksandra de beginselen van het Tolstojisme toegedaan. Zij waren vegetariër en vastbesloten om niet te trouwen. Onder invloed van hun vader waren zij ervan overtuigd dat verliefd worden een laag en ziekelijk gevoel was. Heel wat gevaarlijker dan ziektes als difterie, tyfus en roodvonk of verleidingen als alcohol, tabak of morfine.

Tolstoj was verheugd dat zijn dochters hun leven wilden wijden aan de boeren. Maar Sonja geloofde niet zo in de nobele ambities van haar kinderen. ‘Jullie zijn geboren als graven en gravinnen, en graven en gravinnen zullen jullie blijven.’ Daar kreeg zij later ook gelijk in. Alleen Aleksandra is Tolstojaan gebleven.

 

De tweespalt op jasnaja Poljana nam ondertussen steeds verder toe. Sonja werd hysterisch onder alle spanningen en dreigde herhaaldelijk met zelfmoord. Was het niet door onder de trein te lopen zoals Anna Karenina, dan wel door een overdosis opium of een revolver. Tolstoj raakte twee keer levensgevaarlijk ziek. Dan zat Sonja aan zijn bed, vol spijt en angst dat zij hem de dood zou injagen. Maar zodra hij op de been was, begonnen de verwijten opnieuw. Uiteindelijk was Tolstoj het geruzie beu en nam hij de beslissing waarover hij zo lang had geaarzeld. Op zijn tweeëntachtigste verliet hij huis en haard en vluchtte naar een klooster waar zijn zuster non was. Alleen Aleksandra en Tsjertkov wisten waar hij heen ging en reisden hem achterna. Tolstoj was zo bang dat Sonja hem zou vinden, dat hij niet bij zijn zuster bleef maar verder reisde. In de trein kreeg hij longontsteking en hij moest halt houden op een dorpsstation. Daar is hij niet meer levend weggekomen.

        

Tolstoj stierf zonder Sonja nog gezien te hebben. Zij werd, in aanwezigheid van de wereldpers, door haar kinderen van zijn bed vandaan gehouden. In zijn stervensuur keerde de gekwelde profeet van Jasnaja Poljana terug tot zijn ware roeping. In zijn ijlkoorts riep hij: ‘Ik kan niet inslapen, ik schrijf nog steeds. Ik schrijf en alles grijpt prachtig in elkaar.’

 

1995

Kristien gezien door Mark