Een vulkaan in uitbarsting

Marina Tsvetajeva geldt als een van de grootste Russische dichters van de 20ste eeuw. Toch is zij minder bekend dan je op grond van die reputatie zou verwachten. Van het kwartet dichters dat aan het begin van de eeuw de poëzie in Rusland tot nieuwe bloei bracht zijn Achmatova, Mandelstam en Pasternak inmiddels ook internationaal doorgebroken. Maar Tsvetajeva deelt niet in gelijke mate in die roem.

Van meet af aan stond ze alleen. In december 1920, toen de burgeroorlog was beslecht in het voordeel van de bolsjewieken, nam zij deel aan een poëzieavond voor vrouwelijke dichters. Nadat de dichtervorst Brjoesov in zijn inleiding had betoogd dat vrouwen alleen maar over de liefde konden schrijven, betrad zij het podium, gehuld in een soldatenjas met riem en patroontas en op grijze viltlaarzen. Voor een gehoor, bestaande uit revolutionaire soldaten, droeg zij een loflied voor op de Witten. Want, hoewel zij verder volkomen a-politiek was, ging haar sympathie naar die verliezers uit, eenvoudig omdat haar man zich als vrijwilliger bij het leger van de Witten had aangesloten.

In 1922 emigreerde Tsvetajeva met haar dochter Ariadna naar Praag, waar haar man na de burgeroorlog was opgedoken. Eindelijk vond zij in Berlijn, het toenmalige centrum van de Russische emigratie, een uitgever voor haar gedichten uit de oorlogs- en revolutiejaren, die door papierschaarste ongepubliceerd waren gebleven. Met die publikaties was haar reputatie als een van Ruslands vooraanstaande dichters voorgoed gevestigd. De ingetogen, intieme gedichten van haar debuut uit 1910 hadden plaatsgemaakt voor bruisende verzen vol verbaal en emotioneel vuurwerk. Maar terwijl zij door collega-dichters hemelhoog werd geprezen – Pasternak sprak van een ‘overweldigende poëtische kracht en woordpracht’ – gingen haar experimenten met ritme, klank en rijm veel van de traditioneel ingestelde emigranten te ver.

Toen de Russische emigrantenuitgeverijen zich van Berlijn naar Parijs verplaatsten, verhuisde Tsvetajeva in 1925 met haar gezin naar Frankrijk. Daar hoopte ze op betere tijden na de armoede waarin ze in Tsjechoslowakije had geleefd. Maar in weerwil van haar beroerde omstandigheden was haar creatieve talent in die jaren juist op zijn hoogtepunt. Ze beperkte zich niet tot poëzie, maar schreef ook lange verhalende gedichten en proza.

Temidden van de Russische Parijzenaars bleef Tsvetajeva echter een buitenstaander. Zij maakte geen deel uit van hun wereldje met zijn politieke en literaire salons en ambities. Niettemin had zij er de eerste tijd veel succes. Zo gaf ze in 1926 een poëzielezing, waarbij driehonderd mensen weggestuurd moesten worden omdat de zaal uitpuilde. Tsvetajeva was gevierd om haar moderniteit, maar toen zij haar bewondering uitte voor vernieuwers als Pasternak en Majakovski, kostte dat haar veel populariteit. De emigranten gaven er een politieke uitleg aan, waardoor ze in die kringen voortaan doorging voor een bolsjewiek. In de jaren dertig kreeg zij geen voet meer aan de grond; alleen haar proza werd nog sporadisch gepubliceerd.

 

Uiteindelijk bleef haar niets anders over dan terug te keren naar het vaderland. In 1939 repatrieerde zij met haar zoon, die in Praag was geboren. Haar man, die ondertussen voor de Sovjets was gaan werken en in Frankrijk werd gezocht in verband met een politieke moordaanslag en spionage, was twee jaar eerder al hals over kop naar Moskou vertrokken. Hun dochter Ariadna, die het uitzichtloze emigrantenbestaan niet meer aankon, was als eerste teruggegaan.

Terug in Moskou bleek pas goed hoezeer Tsvetajeva overal buiten stond. Al in 1931 had ze vanuit Parijs aan een Praagse vriendin geschreven: ‘Alles duwt mij naar Rusland. Hier heeft niemand mij nodig. Daar ben ik ondenkbaar.’ Door haar verblijf in het kapitalistische Westen was ze politiek besmet geraakt. Omgang met haar kon sovjetburgers, op het hoogtepunt van de Stalinterreur, op gevangenisstraf en verbanning komen te staan. Geen van haar oude vrienden kon of durfde veel voor haar te doen.

Het gezin was nog maar koud herenigd, of haar man en dochter werden in de willekeur van de Stalinterreur gearresteerd. Zelf werd Tsvetajeva na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog met haar zoon geëvacueerd naar een uithoek van de Sovjetunie. Zij vond onderdak in een boerenhut, op drie dagreizen van het dorp waar pasternak en Achmatova verbleven. Om aan haar isolement te ontsnappen, reisde ze er een keer heen om te solliciteren naar de baan van bordenwasser in de schrijverskantine. Maar zij werd niet aangenomen. Ontgoocheld keerde ze terug. Op 31 augustus 1941 hing zij zichzelf op.

Na Tsvetajeva’s dood heeft het nog twintig jaar geduurd voor ze als dichter werd gerehabiliteerd. Vanwege de rigide cultuurpolitiek van de naoorlogse jaren werd haar naam in de Sovjetunie doodgezwegen en was haar werk maar aan weinigen bekend. Pasternak was een van de eersten die gebruik maakte van het intreden van de culturele ‘dooi’ om Tsvetajeva eer te bewijzen. In een autobiografisch stuk uit 1961 voorspelde hij haar poëzie een algemene herwaardering en de allergrootste erkenning.

In emigrantenkringen werd Tsvetajeva’s werk ook jarenlang geboycot, overtuigd als men was van haar medeplichtigheid aan – op zijn minst medeweten van – de spionageactiviteiten van haar man voor de Russische geheime politie. Nog in 1953 presteerde Vladimir Nabokov het om die reden een voorwoord te weigeren bij een uitgave van Tsvetajeva’s proza in New York. Maar dit kon niet verhinderen dat haar postume roem in het buitenland sindsdien sterk is toegenomen.

 

Hoe groot de reputatie van een dichter ook mag zijn, buiten zijn taalgrenzen wordt die pas tastbaar gemaakt in vertaling. Dat Tsvetajeva internationaal minder in de schijnwerpers staat dan haar drie beroemde tijdgenoten heeft alles te maken met de aard – en daarmee samenhangend de vertaalbaarheid – van haar gedichten. Tsvetajeva joeg als dichter het absolute na met een heftigheid als geen ander vóór of na haar. In het ritme van haar gedichten weerklinkt haar frenetieke levensgevoel. Vergeleken met Achmatova, die haar gevoelens op papier juist beteugelt, is Tsvetajeva een vulkaan in uitbarsting. Men heeft haar wel eens ‘poëtische razernij’ verweten. Maar aan die schijnbare razernij ging een intensieve arbeid aan de schrijftafel vooraf. Op zoek naar precisie, eenheid van gedachtengang en klank, vulde zij vele bladzijden met rijmwoorden en tientallen varianten van versregels. Ritme is de ziel van Tsvetajeva’s gedichten, het rijm vormt de pijlers. De voor haar werk zo karakteristieke klankassociaties beïnvloeden de betekenis. Een gedicht uit 1934 dat zij direct in het Frans schreef, illustreert haar werkwijze. Het was bestemd voor een Franstalige bloemlezing uit de Russische poëzie, en liever dan een oud gedicht te vertalen schreef zij een nieuw.

         Neige, neige,

         Plus blanche que linge,

         Femme lige

         Du sort: blanche neige.

         Sortilège!

         Que suis-je et où vais-je?

         Sortirai-je

         Vif de cette terre?

         Neuve? Neige,

         Plus blanche que page

         Neuve neige

         Plus blanche que rage

         Slave...

Je kunt je afvragen of dit soort poëzie eigenlijk wel te vertalen is. Om het wezen van zo’n muzikaal gedicht intact te laten, moet je alle elementen ervan in vertaling zien over te brengen. Tsvetajeva zelf vond overigens dat geen enkel gedicht onvertaalbaar is. In een brief aan Paul Valéry uit 1937 schreef zij: ‘Ieder gedicht is de vertaling van het spirituele in het materiële, van gevoelens en gedachten in woorden. Als je erin geslaagd bent de innerlijke wereld te vertalen in externe tekens, waarom dan niet het ene tekensysteem omzetten in een ander? Dat is veel eenvoudiger: in de vertaling van de ene taal in de andere wordt materiaal omgezet in materiaal, woorden in woorden, en dat kan altijd.’

 

Tsvetajeva heeft in haar leven veel poëzie vertaald, uit het Frans, uit het Duits en het Spaans. Bij dat werk veroorloofde zij zich de nodige vrijheden. Zij verving beelden door andere beelden en zette klanken die karakteristiek waren voor de vreemde taal om in die van de moedertaal. Maar nooit tastte zij het oorspronkelijke ritme of de versbouw aan.

Het is buitenlandse vertalers – op een enkele uitzondering na – tot dusver niet gelukt de genialiteit van Tsvetajeva recht te doen. Dat geldt ook voor ons eigen taalgebied. Nog nooit was een representatieve keuze uit haar werk verschenen in een geslaagde vertaling. Charles Timmer, de enige die meer dan twintig gedichten van haar vertaalde, sloeg door rijmdwang zo op hol dat in zijn vertaling eerder de stem van Timmer klinkt dan die van Tsvetajeva. Hier lag dus een kans.

De handschoen is kortgeleden opgepakt door een vertalerscollectief. Het kwartet, bestaande uit Toos van Aken, Tatiana Das, Tatiana Khrapovitskaya en Gonnie Lubbers, heeft zich gewaagd aan een uitgebreide selectie uit het werk van Tsvetajeva. Uitgeverij Prometheus heeft hun vertaling op de markt gebracht onder de titel Jouw tedere mond – een en al kus. Het boek opent met een aan de vertaalsters gerichte brief van de hoogbejaarde zuster van Tsvetajeva, die hun sterkte en succes toewenst. Deze beschermengel heeft echter niet kunnen voorkomen dat de dames in hun aanval van wereldambitie jammerlijk hebben gefaald.‘ De vaak genoemde onvertaalbaarheid van Tsvetajeva’s poëzie, door woordspelingen en taalgrapjes, heeft in onze keuze geen beperkende rol gespeeld,’ klinkt het in de inleiding parmantig. Maar de zin die daarop volgt, moet de lezer eigenlijk al waarschuwen: ‘De Nederlandse taal biedt genoeg creatieve mogelijkheden om de nodige nuanceringen aan te brengen.’ Helaas blijft de creativiteit van het viertal beperkt tot het absolute minimum waaraan een vertaler kan voldoen. Aan ritme, rijm en klankkleur hebben zij hun vingers niet willen branden. Wat rest is een letterlijke weergave van de inhoud. Maar die is verwoord in een verwrongen Nederlands, dat zij verslijten voor poëzie. Een gedicht uit de cyclus Vriendin, gewijd aan de dichteres en critica Sofia Parnok, met wie Tsvetajeva anderhalf jaar een verhouding had, begint bij het collectief als volgt:

         In de strijd van eigenzinnigheid

         was wie, in wiens hand slechts de bal?

         Wiens hart – het Uwe of het mijne

         snelde in galop?

Wie gelooft dat hier een dichter aan het woord is die de rijkdom van de Russische taal optimaal heeft uitgebuit? Of hier:

         Ik ken de waarheid! Vroegere waarheden – weg!

         Op aarde moeten mensen niet vechten.

Openingsregels als deze zijn geen compliment aan de Russische poëzie, die Tsvetajeva tot een van haar grootste dichters rekent. Een regel als Leven, jij rijmt zichtbaar op vettigheid wekt bijna medelijden.

Een van de meest sarcastische gedichten die Tsvetajeva heeft geschreven heet Poging tot jaloezie. Het is één grote uitbarsting van woede, venijn en spijt. De weduwe van Mandelstam schreef er bewonderend over: ‘Ik sta versteld van Tsvetajeva’s woeste kracht en overgave. Zulke vrouwen zijn een wonder. Natuurlijk heeft ze gelijk dat ze iedereen vermorzelt die het festijn der gevoelens niet kent.’ Het Prometheuskwartet heeft dit gedicht behandeld met de kaasschaaf. De emoties van het origineel zijn in vertaling teruggebracht tot vaderlandse proporties. je ziet het voor je, de dames die het resultaat hardop aan elkaar voorlezen:

         met de tol van onsterfelijke platheid,

         hoe doet u het, gij zielepoot?

         Met de zweer van het onsterf’lijke geweten,

         hoe doet u het, gij zielepoot?

 

Maar de meeste schade berokkenen de vertaalsters aan Tsvetajeva’s reputatie in twee lange dichtwerken Gedicht van de berg en Gedicht van het einde. Tsvetajeva schreef ze na een hartstochtelijke verhouding met een vriend van haar man in Praag. Vrijwel direct na de breuk had zij geprobeerd haar gevoelens op papier te verwerken in een cyclus van tien gedichten, getiteld Gedicht van de berg. De berg is de heuvel in Praag waar zij haar minnaar placht te ontmoeten. De bittere toon van dit gedicht was blijkbaar niet in overeenstemming met haar emoties, want op de dag dat ze het voltooide, begon ze opnieuw aan wat het Gedicht van het einde zou worden.

Deze keer was de opzet veel groter. Zij verdeelde haar stof over veertien hoofdstukken en begon met de ontmoetingen van de twee gelieven, waarbij de vrouw merkt dat de man haar niet langer wil. Wanneer de breuk is aangezegd door de man, loopt het paar nog één keer door de stad over de kade langs de rivier, via hun stamcafé, door de joodse wijk – langs alle plekken waar hun herinneringen liggen. Hun tocht eindigt op de ‘berg’ in een buitenwijk, als toonbeeld van vervreemding. En daar, met de man in tranen en de vrouw die hun verbond vergelijkt met dat uit het Hooglied, voltrekt zich de scheiding.

De verhalende passages in het Gedicht van het einde worden afgewisseld door gespreksflarden, die nog het meeste weg hebben van een hortende monoloog. De ritmiek van het gedicht legt de dynamiek van de hartstocht bloot. Van de lezer wordt een groot inlevingsvermogen verwacht: tempo en taalregister wisselen voortdurend. Een voorbeeld van de beeldende ritmiek is een scène in het drukke en rokerige stamcafé. In een vertaling die het ritme, het rijm en de klank van Tsvetajeva in acht neemt, zou er ongeveer dit moeten staan:

         Blondgelokte flarden mist,

         als een volant van gaas.

         Geheel doorrookt, oververhit,

         maar bovenal – al dat gedaas!

         Waar ruikt het naar? gejaagdheid,

         toegeeflijkheid, bedrog:

         naar zakelijke geheimen

         en naar de poederdons.

De vertaling die de dames van deze passage bieden, illustreert de fout die hun zo zwaar te verwijten valt: doordat ze alleen de betekenis proberen weer te geven, beroven ze het gedicht van zijn oorspronkelijke ritme en daarmee ook van zijn betekenis:

         Een golf blond gekrulde mist

         – als een doorzichtige volant.

         Geheel doorademd, doorrookt,

         en het voornaamste – doorgepraat!

         Waar ruikt het hier naar? Naar grote haast,

         Naar aalmoezen en kleine zonden:

         naar zakelijke geheimen

         en naar balzaalpoeder.

Het Gedicht van het einde, dat Pasternak de reactie ontlokte: ‘Wat een groots, een duivels groots kunstenaar ben jij, Marina!’ eindigt bij het collectief als volgt:

         In de holle golven van de duisternis

         – gekroond en vervlakt –

         zo spoorloos – sprakeloos –

         als een schip dat zinkt.

Voor wie dit Chinees is: Tsvetajeva beschrijft hier hoe haar minnaar voorgoed uit haar leven verdwijnt. Waarom niet vertaald als:

         In grondeloos duister

         verdween hij – gekromd –

         geen spoor – geen geluid –

         als een schip dat zonk.

 

Het is te hopen dat een meer ervaren en getalenteerde vertaler Tsvetajeva nog eens serieus in het Nederlands wil introduceren*. Iemand die respect heeft voor haar dichterschap en begrijpt dat elke halve lettergreep in vertaling raak moet zijn. Want voor deze vertaalsters is het mysterie van Tsvetajeva’s poëzie een gesloten boek gebleven. Hun Tsvetajeva is een hysterica die niet kan dichten.

 

1992

 

* In 1999 verscheen het deel Tsvetajeva in de Russische Bibliotheek van Van Oorschot. In de vertaling van Anne Stoffel vond de slotstrofe zijn definitieve vorm:

         In golven van duister:

         Hij – krom, desolaat –

         Geen spoor – geen geluid – als

         Een schip dat vergaat.

Kristien gezien door Mark