Een straathond met de ballen van een balalajkaspeler

Vlak voor de première van zijn eerste toneelstuk in 1926 kocht Michaïl Boelgakov een monocle. Dat oogglas paste perfect bij de rest van zijn uitmonstering: zijn lange, magere gestalte gehuld in driedelig kostuum met vlinderstrik, de voeten gestoken in lakschoenen. Alleen vloekte zijn elegante verschijning volslagen met zijn tijdperk. De heersende mode schreef laarzen voor, leren jekkers, petten en een openstaande boord.

Ook in de literatuur was hij een buitenbeen. Zijn collega’s konden niet goed hoogte van hem krijgen. ‘Hij loopt nergens warm voor,’ werd van hem gezegd, ‘net Tsjechov.’ Een dagboeknotitie uit 1923 verraadt dat hij niet zozeer onverschillig als wel voorzichtig was. ‘De literatuur is momenteel een moeilijk bedrijf. Voor mij, met mijn werk en de ideeën die daaruit spreken, is het heel lastig om te publiceren en te leven.’

Met de flegmatieke Tsjechov had hij niet meer gemeen dan zijn achtergrond als arts. Boelgakov leek veel meer op zijn lievelingsschrijver Gogol. Hij was net zo’n ongebreidelde fantast en spotvogel, en het nieuwe sovjetleven was een rijke bron van inspiratie voor zijn satirische pen.

 

Boelgakov stamt uit de Russische aristocratische cultuur. Zijn familie behoorde tot de intelligentsia van Kiev. Michaïl wordt er in 1891 geboren als oudste van zeven kinderen. Na het gymnasium besluit hij medicijnen te gaan studeren, maar zijn studie verloopt niet bepaald vlekkeloos. Boelgakov heeft te veel andere interesses. Een passie voor vrouwen bijvoorbeeld, die pas met zijn derde huwelijk zou bedaren. Tegen de zin van zijn familie trouwt hij op zijn eenentwintigste met zijn schoolvriendin Tatjana Lappa. Samen leiden zij een onburgerlijk bestaan: Boelgakov zit vaak in de kroeg om te kaarten en te biljarten.

Met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog breken ernstiger tijden aan en Boelgakov meldt zich als vrijwilliger bij het Rode Kruis. Tatjana vergezelt hem als verpleegster. Van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat amputeert hij ledematen, terwijl zij hem assisteert. In 1916 studeert hij af en wordt hij benoemd tot arts van een klein hospitaal diep in de provincie. Een jaar lang werkt hij daar met Tatjana in een vrijwel volledig isolement.

Overdag werkt hij in het hospitaal, ’s avonds tuurt hij bij kaarslicht in medische handboeken. Buiten loeit de sneeuwstorm en janken de wolven. Soms wordt hij met een slee opgehaald voor een spoedvisite. Maar op rustige ogenblikken begint hij zijn belevenissen van overdag te noteren. Zo ontstonden zijn Verhalen van een jonge arts.

Op het moment dat de revolutie uitbreekt, wordt Boelgakov overgeplaatst naar een groter streekziekenhuis in de buurt. Daar krijgt hij na een ongeluk morfine toegediend en raakt hij binnen de kortste keren verslaafd. Als Tatjana weigert hem steeds grotere doses morfine te verschaffen, bedreigt hij haar met een pistool. In het verhaal ‘Morfine’ heeft hij in detail zijn toestand beschreven. De morfinist uit dat verhaal gaat aan zijn verslaving te gronde. Boelgakov zelf zou het redden. Met de hulp van tatjana en gesteund door zijn brandende ambitie om een groot schrijver te worden.

Na zijn demobilisatie in 1918 vestigde Boelgakov zich als arts in zijn geboortestad Kiev. Maar in de Burgeroorlog werd er zwaar gevochten om de Oekraïne. Boelgakov trok in de herfst van 1919 met het Witte leger mee naar de Kaukasus, waar hij besmet bleek met tyfus. Toen hij bijkwam uit zijn ijlkoorts, was het Witte leger geweken en waren de bolsjewieken aan het bewind.

 

Boelgakov besluit een nieuwe identiteit aan te nemen. Voortaan is hij schrijver. Hij verbiedt zijn omgeving zelfs maar een toespeling te maken op het feit dat hij vroeger arts is geweest. Op zijn dertigste vertrekt hij met Tatjana naar Moskou om haast te maken met zijn literaire loopbaan. Vrijwel direct na aankomst vindt hij werk als journalist en is hij onafgebroken in de weer met talloze reportages, essays en stukjes. Daarbij ontwikkelt hij een hartgrondige hekel aan de journalistiek. ‘Een vak zonder aanzien’ noemde hij het in zijn autobiografie.

Maar Boelgakov legde een enorme werklust aan de dag en tijdens de schaarse vrije uren schreef hij binnen vier jaar een grote roman, twee bundels autobiografische verhalen en drie lange satirische novellen. Bovendien vond hij tijd om zich in de literaire wereld van Moskou te storten. In zijn dagboek pochte hij op zijn wilde levensstijl en forse drankgebruik. Hij verwierf zich een reputatie als rokkenjager. En toen hij op een feestje een oogverblindende vrouw ontmoette die net terug was uit het buitenland, besloot hij dat tatjana niet langer bij hem paste.

Ljoebov Bjelozerskaja, met wie hij al snel ging samenwonen, was een vrouw van de wereld. Met haar vorige echtgenoot –een schrijver– had zij verkeerd in de literaire bohème van Parijs en Berlijn. Zij was sportief en onafhankelijk, het tegendeel van de naïeve Tatjana. Die werd van de ene dag op de andere aan de kant gezet, zonder een cent.

 

In 1923 begint hij te werken aan zijn eerste grote roman De witte garde, die een eerbetoon is aan zijn een jaar eerder overleden moeder en aan zijn gelukkige jeugd. De roman beschrijft de lotgevallen van een pro-tsaristische familie tijdens de burgeroorlog in Kiev en is grotendeels autobiografisch.

Terwijl deze roman in afleveringen in een tijdschrift verscheen, werd Boelgakov benaderd door een regisseur van het Moskouse Kunsttheater. Hij was zeer ingenomen met het voorstel om De witte garde voor het toneel te bewerken en ging meteen aan de slag. De première een jaar later was een overdonderend succes. Het publiek was in tranen en mensen vielen zelfs flauw van emotie. Voor het eerst werden de Witten niet als de gedoodverfde aartsvijand afgebeeld en zag men de benarde gebeurtenissen van de burgeroorlog opnieuw de revue passeren.

De critici reageerden heel anders. Een voor een vielen ze over Boelgakov heen. Het stuk zou een politieke rechtvaardiging zijn van de Witten. Die reactie had Boelgakov ook al te horen gekregen tijdens de toneelrepetities. Daartoe gedwongen door de repertoire-commissie bracht hij ingrijpende veranderingen in de tekst aan en wijzigde hij de titel in De dagen der Toerbins.

Ook met een ander stuk dat drie weken later in première ging, kreeg Boelgakov moeilijkheden. Zojka’s flat is een satire op de Moskouse onderwereld tijdens de jaren twintig. Tijdens deze periode van relatieve economische vrijheid bloeide een criminele subcultuur van louche handelaren, en vierden hoererij, diefstal en drugsgebruik hoogtij. Boelgakovs opzienbarende klucht over de onderkant van de sovjetmaatschappij was geen lang leven beschoren en verdween al gauw van de planken.

 

Het duurde niet lang of de geheime politie kreeg belangstelling voor Boelgakov en deed een inval in zijn woning. Zijn dagboek werd in beslag genomen samen met het manuscript van zijn novelle Hondehart. In dat verhaal worden teelballen en hersenaanhangsel van een zojuist overleden balalajkaspeler overgeplant in een straathond. Daaruit ontstaat een nieuw soort proletariër met criminele neigingen, die wild wordt als hij katten ziet. De novelle werd ruim zestig jaar later pas vrijgegeven. Zo bang waren de autoriteiten voor deze auteur die de draak stak met de droom van de nieuwe sovjetmens.

Tussen 1926 en 1928 was Boelgakov een van de bekendste toneelschrijvers van Moskou, maar ook de meest omstreden. In de eerste tien jaar van zijn literaire arbeid verschenen er 301 recensies van zijn werk in de sovjetpers. Drie ervan waren lovend, de overige 298 vijandig en beschimpend.

Toen Stalin in 1929 zijn ware gezicht toonde en de periode van terreur inluidde die naar hem genoemd zou worden, had dat directe gevolgen voor Boelgakov. Al zijn toneelstukken werden van het repertoire genomen wegens hun anti-sovjet karakter. Tijdens zijn leven zou geen van zijn romans of novellen nog worden gedrukt. Zijn nieuwe toneelwerk werd wel in produktie genomen, maar steeds kort voor of na de première weer afgelast. Alleen De dagen der Toerbins keerde in 1932 terug op de planken, nota bene op last van Stalin zelf die het stuk juist een bewijs vond van de onoverwinnelijkheid van het bolsjewisme.

Boelgakov voelde zich uitgerangeerd en zag geen andere uitweg dan te emigreren. In maart 1930 schreef hij een brief aan de Russische regering. Drie weken later kreeg hij een telefoontje van Stalin, die hem vroeg of hij echt wilde vertrekken. Toen hij antwoordde dat hij liever bleef, kreeg hij door inmenging van de dictator een baan bij het Kunsttheater.

Hij hield het er zes jaar vol, tot hij in 1936 na het zoveelste conflict verbitterd zijn biezen pakte. In zijn roman Zwarte sneeuw heeft Boelgakov op hilarische wijze afgerekend met het Kunsttheater, vooral met de oprichter Stanislavski en diens geniaal geachte acteermethode. De roman is onvoltooid gebleven, maar Boelgakov las er graag thuis uit voor aan een geamuseerde vriendenkring.

 

Zijn huis was in die moeilijke jaren zijn toevluchtsoord. In 1929 had hij eindelijk zijn muze gevonden in de persoon van jelena Sjilovskaja. Zijn tweede vrouw Ljoebov had het te druk met paardrijden en autoracen om te beseffen in welke crisis Boelgakov beland was. Door zijn bezigheden als regisseur, vertaler en zelfs acteur kwam hij aan schrijven niet meer toe.

Dat veranderde op slag toen hij de ravissante Jelena ontmoette. Vanaf hun huwelijk in 1932 was Jelena het stralende middelpunt van hun huis dat bijna elke avond openstond voor bezoekers uit de wereld van literatuur en theater. Zijn drukke sociale bestaan van die jaren stond in contrast met het volstrekte stilzwijgen waarin zijn literaire werk gedompeld was. In 1937 schreef Boelgakov in een brief: ‘De afgelopen zeven jaar heb ik 16 verschillende werken geschreven en allemaal zijn ze verloren gegaan. Ik werk hard maar het heeft geen enkele zin. Daarom bevind ik mij in een toestand van apathie.’

Het enige dat hem in die tijd op de been hield was zijn roman De Meester en Margarita. Vanaf 1929 had hij er in het geheim aan gewerkt en toen hij er negen jaar later de laatste hand aan legde, probeerde hij niet eens meer de tekst gepubliceerd te krijgen. Boelgakov was zes keer opnieuw begonnen aan deze complexe roman die eerst andere titels had: De zwarte magiër, De hoef, De ingenieur met de hoef.

 

Heel zijn leven is samengebald in deze grandioze zwanezang. Hij neemt wraak op de officiële literaire wereld van Moskou die hem had buitengesloten. De duivel daalt op aarde neer om de ongetalenteerde schrijvers van de Schrijversbond te straffen. Na een reeks van hallucinerende gebeurtenissen, wissel- en verdwijntrucs en groteske achtervolgingen stort hun wereld als een kaartenhuis ineen. De Meester en Margarita is een mengeling van komedie en tragedie, fantasmagorie en werkelijkheid, waarin de vrijheid van de kunst en de kunstenaar zegeviert.

De zorg voor zijn meesterwerk liet Boelgakov over aan Jelena. Hij wist dat hij niet oud zou worden. Al bij hun trouwen had hij tegen haar gezegd dat hij in 1939 ernstig ziek zou worden. En die voorspelling is uitgekomen. Na het zoveelste echec van een afgelaste première klaagde Boelgakov dat zijn ogen achteruit gingen en moest hij een tijdje in een donkere kamer liggen. Kort daarop werd vastgesteld dat hij aan een nierziekte leed. De artsen gaven hem nog een paar dagen te leven.

Boelgakov heeft die fatale ziekte nog zes maanden verdragen. Zijn ziekbed was pijnlijk. Tot het laatst toe bleef hij aan Jelena kleine wijzigingen in zijn roman dicteren. Zij heeft de rest van haar leven geijverd om die in Rusland gepubliceerd te krijgen. Kort voor haar eigen dood in 1970 is zij daar uiteindelijk in geslaagd.

 

1995

Kristien gezien door Mark