Een vergeten dichterschap

Dat in lichtzinnigheid vernuft schuilt,

in oppervlakkigheid een diepe zin,

bewijzen ons de zwarte krullen

van Michaïl Koezmin.

                              Valeri Brjoesov

 

 

Zijn debuut in de literatuur begon met een schandaal, zijn verschijning was aanstootgevend, zijn poëtische werkwijze ongewoon, zijn artistieke denkbeelden strookten niet met die van zijn tijdgenoten. Omstreden, beroemd, vervolgens verguisd, nog eenmaal terug in de publiciteit en daarna vrijwel volledig vergeten – dat was het lot van de Russische schrijver Michaïl Aleksejevitsj Koezmin.

Vierendertig jaar oud, debuteert hij in juli 1906 officieel als dichter met Aleksandriskije pjesni (Alexandrijnse liederen); in november van dat jaar volgt zijn prozadebuut, de korte roman Krylja (Op vleugels). Beide tijdschriftpublikaties veroorzaken om uiteenlopende redenen grote deining.

 

Wie was deze – niet meer zo jonge – debutant?

Als jongste van vijf kinderen werd hij op 6 oktober 1872 in Saratov aan de Volga geboren. Tot voor kort gold als zijn geboortejaar 1875, een mystificatie door Koezmin zelf in het leven geroepen. Zijn vader was marineofficier, zijn moeder de achterkleindochter van een vermaarde Franse acteur. Hij groeide op als een verlegen en eenzelvig kind dat de omgang met zijn broers en dominante vader meed. Het liefst zat hij met zijn neus in de boeken. Hij verslond het werk van Hoffmann, Walter Scott, Shakespeare en Cervantes. Ook met muziek was hij van kindsbeen af vertrouwd. Zij moeder speelde piano en vaak vonden in zijn ouderlijk huis concerten plaats met werken van destijds favoriete componisten als Weber, Schubert en Rossini.

Hij bezocht het gymnasium in zijn geboorteplaats tot 1885, het jaar waarin hij met zijn zusters naar de toenmalige hoofdstad St. Petersburg werd gestuurd om daar zijn schoolopleiding te voltooien en zich voor te bereiden op een loopbaan bij de overheid. In 1886 overleed zijn vader en korte tijd later verhuisde zijn moeder eveneens naar St. Petersburg. In die stad, die Koezmin later zijn ‘tweede vaderland’ noemde, werd de basis gelegd voor zijn levenslange passie voor het theater: hij liep alle voorstellingen af, van toneel tot opera en operette.

Na zijn eindexamen in 1891 koos Koezmin, tegen de zin van zijn moeder, voor een opleiding aan het conservatorium van St. Petersburg, waar hij compositielessen volgde bij Rimski-Korsakov. Maar al gauw bleek dat hij niet in het schoolsysteem paste: zijn leraren keurden zijn werk af en hij op zijn beurt weigerde hun lesopdrachten uit te voeren. Drie jaar later gaf hij er de brui aan. Hij verliet het conservatorium en begon aan een lange en eenzame zelfstudie, die de grondslag zou vormen van zijn legendarisch eruditie.

 

Als puber was Misja Koezmin bevangen geraakt door wat hij zelf zijn ‘monsterlijke’ uiterlijk noemde. Klein van stuk, viel hij op door zijn grote hoofd met grove gelaatstrekken en twee enorme uitpuilende ogen. Op zijn vijftiende voor het eerst verliefd, werd hij door het meisje van zijn keuze afgewezen. Onmiddellijk zocht hij de oorzaak in zijn uiterlijk.

Toen hij later ontdekte dat zijn erotische belangstelling meer uitging naar jongens, nam zijn wanhoop alleen maar toe. Over zijn prille liefdeservaringen is weinig bekend. Maar wanneer Koezmin later tegen vrienden over zijn jeugd sprak, was het altijd met een ondertoon van pijn en onbehagen.

Zijn gezondheid begon te lijden onder zijn isolement en schuldgevoelens. De artsen gaven zijn moeder het advies hem mee op reis te nemen. Ze vertrokken in mei 1895 met als reisdoel Egypte. Zijn moeder keerde weldra terug, maar Koezmin bleef tot begin 1896 in Alexandrië. Pas uit zijn latere werk blijkt hoezeer de kennismaking met deze stad en cultuur hem heeft beïnvloed.

 

Raadselachtig blijft of hij er de poëzie van zijn tijdgenoot Kavafis heeft leren kennen, die toen een tiental gedichten had gepubliceerd, en of hij de dichter zelf heeft ontmoet. Vast staat wel dat hij niet naar Alexandrië is gegaan vanwege de reputatie van homo-erotische vrijhaven die deze stad genoot. Zijn belangstelling lag meer op het godsdienstige vlak. Hij bestudeerde er Oud-egyptische erediensten en vroeg-christelijke sekten die banden hadden met Alexandrië.

Als afleiding van zijn problemen had de reis weinig effect. Teruggekeerd in St. Petersburg raakte hij zelfs in een ernstige crisis, die uitmondde in een poging zichzelf te vergiftigen. De artsen raadden hem opnieuw aan zijn omgeving te ontvluchten. Deze keer werd Italië zijn reisdoel.

In het voorjaar van 1897 vertrekt hij. Zijn reis voert hem langs negen Italiaanse steden, waarvan Rome en Florence de meeste indruk op hem maken. Hij raakt geboeid door het Rome uit de vroeg-christelijke periode, bestudeert het gnosticisme – dat een blijvende factor in zijn werk zou zijn – alsook de vroeg-Italiaanse religieuze muziek, het Gregoriaans. In Florence maakt hij kennis met de katholieke kanunnik Mori die hem wegwijs maakt op al deze terreinen. In een serieuze poging zijn gevoelens en verlangens te sublimeren in religie en mystieke ervaringen bestudeert hij de levens van de vroege kerkvaders Aloysius en Franciscus. Deze episode van zijn leven beschrijft hij later in Op vleugels.

 

Het bezoek aan Italië bleef voor Koezmin een voortdurende bron van inspiratie. Zijn reis had hem lichamelijk goed gedaan, maar geestelijk niet veel verlichting gebracht. Het dilemma waarvoor hij zich geplaatst zag, leek onoplosbaar. Moest hij het leven leiden van een asceet of al zijn schaamte overboord zetten en kiezen voor de genotzuchtige kant van het bestaan?

Nog jaren zou het duren voor hij ontdekte dat hij geen enkele aanleg had om een heilige te worden. Belangstelling voor godsdienst en godsdienstige sekten had Koezmin van huis uit meegekregen. Hoewel rond de eeuwwisseling het atheïsme hoogtij vierde, waren zijn ouders wel religieus. Zij behoorden tot de Oudgelovigen, afgescheidenen van de Orthodoxe kerk, die het oude ritueel verdedigden dat door patriarch Nikon rond 1655 ingrijpend was gemoderniseerd.

Eind 1898 besluit hij op zoek te gaan naar een ‘persoonlijk geloof’ en reist daarvoor de gemeenschappen van Oudgelovigen in Noord-Rusland af. Hij laat een lange baard groeien en loopt rond in een zwarte toog. Een tijdlang verblijft hij in kloosters en overweegt intrede te doen. Maar zover zou het niet komen. Langzamerhand maakt zijn religieuze fanatisme plaats voor een hernieuwde literaire belangstelling. Hij verdiept zich in de Franse literatuur en wijdt zich aan de bestudering van de Griekse en Romeinse beschaving. Vooral de filosofie van de neoplatonist Plotinus spreekt hem aan, die in zijn Enneaden betoogt dat schoonheid een onmisbaar attribuut is van het bestaan, en dat alleen door liefde de mens in staat is die schoonheid in zich op te nemen en zich geestelijk te verrijken.

Gelouterd door deze geschriften, komt hij eindelijk tot rust. Hij beseft dat zijn heil niet is gelegen in ascetisme en mystieke ervaringen, maar in schoonheid en liefde. Door het leven te beschouwen als een langdurig proces van groei en ontdekking leert hij eindelijk zichzelf te accepteren. Nu is er niets meer dat zijn terugkeer naar St. Petersburg in de weg staat.

 

In 1902 vestigt hij zich in deze stad, waar hij tot zijn dood zal blijven wonen. Zonder vaste bron van inkomstem, leeft hij van het geven van muzieklessen en van de verkoop van iconen die hij op zijn reis heeft verzameld. Aanvankelijk kiest hij voor een loopbaan in de muziek. Hij componeert opera’s en zet gedichten op muziek van Poesjkin en Fet, en sonnetten van Shakespeare.

Wanneer hij merkt dat zijn composities aanslaan, begint hij in 1903 aan een reeks liederen over Alexandrië, waarvoor hij behalve de muziek nu zelf ook de tekst schrijft. Na terugkeer van zijn reis daarheen had hij een exemplaar in handen gekregen van de destijds in Europa razend populaire Chansons secrètes de Bilitis van de erotomaan Pierre Louys, die in 1907 ook in een Russische vertaling zouden verschijnen. De Chansons waren gefingeerde vertalingen van een manuscript van een tijdgenoot van Sappho, dat Louys beweerde in Griekenland te hebben ontdekt. Een aantal van die liederen is getoonzet door Debussy.

Koezmin was nogal teleurgesteld in de Chansons. Hij vond dat Louys de oudheid gebruikte als dekmantel voor pornografie – de geest van de oudheid kon hij er nergens in ontwaren. Zijn eigen Alexandrijnse liederen (waarvan één een imitatie is naar Louys) zijn gesitueerd in het Alexandrië van de zesde eeuw. In deze liederen duikt voor het eerst het thema van de homoseksualiteit op, dat in zijn latere werk centraal zou komen te staan.

Niet alleen de inhoud van de Alexandrijnse liederen was schokkend voor zijn tijdgenoten, maar ook de vorm. Koezmin schreef ze als blanke verzen, een vorm die sinds de achttiende eeuw niet meer werd gebruikt in de Russische poëzie. Hij deed dit bovendien op een heel natuurlijke manier, gebruik makend van stijlmiddelen als klankherhaling en parallellisme, en grondvestte daarmee een traditie in de moderne poëzie die door een dichter als Chlebnikov is voortgezet.

 

Door een schoolvriend kwam Koezmin in 1904 in contact met leden van de Mir Iskoesstva-groep: de grondlegger daarvan Aleksandr Benois, de drijvende motor Sergej Diagilev, de literatuurkenner Dmitri Filosofov, de musicoloog Walter Noevel en de decorontwerper Leon Bakst. Deze kunstenaarsbent, opgericht aan het begin van de jaren negentig, vormde de Russische pendant van de art-nouveau-stroming in West-Europa. De leden droomden van een grandioze synthese van alle kunstvormen en wilden de Russische kunst bevrijden van de heersende geest van provincialisme, en opstoten tot een internationale beweging met een eigen inbreng in de westerse cultuur Het meest volledig zijn ze daarin geslaagd met de Ballets Russes van Diagilev, waarin Nijinski en Pavlova schitterden op muziek van Stravinski met decors van Bakst.

Er werden tentoonstellingen georganiseerd in St. Petersburg waarop het werk van de Franse impressionisten in Rusland werd geïntroduceerd, en doeken van de Russische avantgarde-schilders Larionov en Gontsjarova werden getoond in Parijs. Van grote betekenis voor de Russische cultuur is ook het kunsttijdschrift Mir Iskoesstva geweest, opgericht in 1899. Daarin werden reprodukties gebracht van schilderijen van Gaugin, Cézanne, Picasso en Matisse, evenals illustraties van art nouveau-kunstenaars als Beardsley. In de literaire bijlage kon men kennismaken met de poëzie van Baudelaire, Verlaine, Mallarmé, Brjoesov en Balmont.

 

Rusland beleefde in het eerste decennium van de twintigste eeuw een periode van economische welvaart en bloei in alle takken van kunst, die zou voortduren tot het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Deze jaren worden in de literatuur de Zilveren eeuw van de poëzie genoemd. Een veelheid van dichters en stromingen verscheen ten tonele: decadenten, symbolisten, acmeïsten, futuristen, oberioeten. Dat zij naast elkaar konden gedijen was vooral te danken aan de afschaffing van de censuur, een van de eerste maatregelen van het Russische parlement, dat was geïnstalleerd als concessie van het bewind na de mislukte revolutie van 1905.

Koezmin voelde zich sterk aangetrokken tot de ideeën over kunst die in de Mir Iskoesstva-groep leefden. Hij noemde zich tegenover vrienden vol trots ‘un homme de Mir Iskoesstva’ en erkende, ook in zijn latere leven, veel aan deze groep te danken te hebben. Hij vond er gelijkgestemden, zowel artistiek als qua geaardheid; veel van de leden van Mir Iskoesstva waren eveneens homoseksueel.

 

In 1906 begon hij zich te bewegen in de literaire en culturele kringen van de hoofdstad. Hij verscheen op de poëtische en gastronomische avonden ten huize van Fjodor Sologoeb (de ‘dichter van de dood’), waar hij kennis maakte met de theoreticus van het Russische symbolisme Vjatsjeslav Ivanov. In dat gezelschap manifesteerde hij zich als musicus. Hij zong zijn Alexandrijnse liederen, waarbij hij zichzelf op de piano begeleidde.

Tijdens een van die uitvoeringen bevond de dichter Valeri Brjoesov zich onder zijn gehoor. Brjoesov gold in die jaren als Ruslands grootste dichter. Als grondlegger van het Russische symbolisme had hij nieuwe thema’s geïntroduceerd in de poëzie, zoals het moderne stadsleven, erotiek, perversie en exotisme. Hij had geëxperimenteerd met ritme, rijm en metrum en zo nieuw leven geblazen in de Russische poëzie die aan het einde van de negentiende eeuw bijna was doodgebloed. Zijn tragiek was echter dat hij al spoedig voorbij werd gestreefd door dichters met een groter talent dan het zijne, zoals Blok en Bjely, die het Russische symbolisme van koers deden veranderen en daarom wel de tweede generatie symbolisten worden genoemd.

 

Brjoesov moedigde Koezmin aan poëzie te schrijven in plaats van liedteksten, en zorgde voor publikatie van de Alexandrijnse liederen in zijn blad Vesy in 1906. Het novembernummer van dat blad reserveerde hij volledig voor Koezmins roman Op vleugels, een ongehoord fenomeen in de geschiedenis van het tijdschrift. De Alexandrijnse liederen werden in korte tijd zowel bij de pers als bij het publiek populair (ook andere componisten zetten ze op muziek), maar de publikatie van Op vleugels maakte hem in heel Rusland beroemd. Na de tijdschrifteditie volgde een boekuitgave, die weldra werd herdrukt.[1]

De roman riep tal van reacties op die uiteenliepen van bijval tot protest. De flamboyante schrijfster Zinaïda Hippius reageerde bijvoorbeeld met een ingezonden brief naar Vesy, waarin zij brieste dat de Russische literatuur compleet pornografisch was geworden. Hiermee doelde zij waarschijnlijk behalve op Koezmin ook op de erotische poëzie van Brjoesov en op die van Mirra Lochvitskaja, een dichteres die bekend stond als de ‘Russische Sappho’.[2]

Anderen zagen de verschijning van Op vleugels juist als een teken van een nieuwe openheid in de literatuur. Dat laatste werd bewaarheid, want er volgden in de jaren daarop nog talrijke publikaties die de homoseksuele liefde als onderwerp hadden, zoals poëzie van de ‘boerendichter’ Nikolaj Kljoejev (die bevriend was met Jesenin) en Sofia Parnok (met wie Marina Tsvetaeva[3] van 1914 tot 1916 een verhouding had), en proza van Lidija Zinovjeva-Annibal (de vrouw van Vjatsjeslav Ivanov).

 

Kort na de publikatie van Op vleugels raakte Koezmin bevriend met Aleksandr Blok, die hem verdedigde tegen beschuldigingen van ‘immoraliteit’ en die weigerde deel te nemen aan boycots die Koezmins vijanden probeerden te organiseren na de verschijning van zijn roman. Blok en hij hadden elkaar leren kennen in het theater van de actrice Vera Komissarzjevskaja, die de jonge regisseur Meyerhold had aangetrokken om Bloks Balagantsjik (De poppenkast) op het toneel te brengen. Koezmin schreef de muziek voor dit stuk.

Meyerholds eerste theaterseizoen in Petersburg (de winter van 1906-07) was een tijd van feesten, maskerades, intieme diners en gezamenlijke uitstapjes, waarbij Koezmin een stralend middelpunt bleek. Op die bijeenkomsten liep iedereen elegant gekleed rond: het dandyïsme vierde hoogtij. Ook werd rijkelijk gebruik gemaakt van make-up en exotische parfums. Koezmin was in die tijd een opvallende verschijning: zijn toch al opmerkelijke gedaante hulde hij in fraaie kostuums (hij bezat alleen al 365 vesten) en hij was altijd zorgvuldig gemanicuurd en opgemaakt. Dit bezorgde hem de reputatie van ‘Prins der Estheten’.

Koezmin had een grote charme en was dol op roddelpraat. In die passie werd ruimschoots voorzien door de vele vriendinnen die zijn gezelschap zochten en hem tal van confidenties deden. Hoewel hij zich lichamelijk niet tot hen voelde aangetrokken, verkeerde hij graag onder vrouwen en ontwikkelde in de loop der jaren een scherpe kijk op de tweede sekse. Dat heeft met name in zijn prozawerk een aantal rake vrouwenportretten opgeleverd. Een van zijn geliefkoosde bezigheden was voor koppelaar te spelen onder zijn heteroseksuele vrienden, maar erg succesvol was hij daarin niet.

 

Een belangrijke rol in Koezmins leven speelde de zogeheten Toren van Vjatsjeslav Ianov. Het appartement dat Ivanov met zijn vrouw bewoonde bevond zich op de bovenste verdieping van een huis in de omgeving van het Taurispaleis bij de Neva. De salon van de woning vormde een architectonische uitbouw en is de literaire geschiedenis ingegaan als de Toren. Elke woensdag hield Ivanov daar open huis voor alle talentvolle schrijvers, intellectuelen en artiesten van St. Petersburg. Het gezelschap ontwikkelde zich weldra tot de toonaangevende artistieke cercle van de hoofdstad. Koezmin raakte bevriend met Ivanov, met wie hij een belangstelling deelde voor religieuze en filosofische literatuur. Hij noemde later deze tijd in de Toren, waar hij ook een tijd lang woonde, een periode van enorme bedrijvigheid en inspiratie.

 

Op aandrang van Brjoesov kwam in 1908 zijn eerste gedichtenbundel Seti (Netten) tot stand, waarin opgenomen de ‘Alexandrijnse liederen’. Het was een dikke bundel (tweehonderd pagina’s), met onder andere een verzencyclus waarin hij de periode van maskerades en uitstapjes beschreef. Een van die gedichten begint met de regels:

Hoe kan ik woorden vinden voor dit lome tochtje,

Chablis op ijs, een knapperig kadetje.

Majakovski noemde de tweede regel revolutionair. En dat was hij welbeschouwd ook. Na de poëtische verhevenheid van het symbolisme introduceerde Koezmin een aards idioom in de dichtkunst, dat hij paarde aan eenvoud van thematiek. De laatste strofe van datzelfde gedicht werd beschouwd als zijn poëtisch credo:

De geest van bagatellen, zwoel, luchthartig,

van liefdesnachten, teder of verwarrend,

van vlinderachtigheid en zorgeloos bestaan!

Ik ben geen slaaf van wonderen, hoe prachtig,

maar ben jouw bloemen trouw, o zoete aarde!

 

Zowel Brjoesov als Blok waren verrukt van Netten. Koezmin verwierf in korte tijd een faam die volgens de woorden van Aleksandr Blok ‘je niemand zou toewensen’. Hij werd omringd door een schare bewonderaars die zich ‘estheten’ noemden en zich op fluistertoon met elkaar onderhielden in een kamertje van Koezmins woning, terwijl de ‘Petersburgse Oscar Wilde’, elegant gekleed, gehuld in een wolk van parfum, met een sigaret tussen de lippen, achter een katheder nieuwe kunstwerken schiep. Hij schreef vrijwel alles direct in het net. Zijn werkkamer was overladen met boeken en schilderijen van bevriende kunstenaars. In zijn boekenkast stonden de Heiligenlevens naast de Memoires van Casanova, Rilke naast rabelais en Leskov naast Wilde.

In het jaar daarop – 1909 – maakte Koezmin kennis met de dichter Nikolaj Goemiljov die, terug van een verblijf in West-Europa, oudere schrijvers benaderde om lezingen te geven over poëzie. Die lezingen vonden plaats ten huize van Vjatsjeslav Ivanov. Daar werd ook het literaire blad Apollon opgericht, waarin Koezmin gedichten en essays zou publiceren. Een van die essays is het beroemd geworden ’O prekrasnoj jasnosti’ (Over de schone helderheid), gepubliceerd in 1910, toen het symbolisme in zijn nadagen verkeerde. Het geldt als het startschot in de afrekening met die stroming. Het artikel dat als ondertitel ‘Aantekeningen over proza’ droeg, verkondigde Koezmins denkbeelden over kunst in termen van ‘helderheid’, ‘gezond verstand’ en ‘harmonie’. Hij brak een lans voor de individuele vrijheid van kunstenaars tegenover elk dogmatisme: ‘regels en theorieën hebben niets van doen met schepping’.

 

Koezmins rol in de Russische poëzie is te vergelijken met die van Jules Laforgue (1860-1887) in de Franse. Beiden wisten zij in hun werk de cliché-vormen van het symbolisme te doorbreken en stemden zij hun toon af op die van het populaire lied. Na het symbolisme moest er een dichterschap als het hunne komen om de poëzie te bevrijden. Koezmin heeft de weg vrijgemaakt voor de jonge dichters na hem, onder wie de acmeïsten. Dat is waarschijnlijk de reden waarom Anna Achmatova zijn werk zeer hoog schatte. Zij heeft, vooral op latere leeftijd, ook wel negatieve uitspraken over hem gedaan, maar volgens Joseph Brodsky[4] berust haar denigrerend oordeel op een mythe. In gesprekken met hem heeft zij zich altijd met veel waardering uitgelaten over Koezmin en zijn werk. Als er al sprake is geweest van irritatie, dan had die te maken met haar Epos zonder held, waarvoor zij het idee zou hebben ontleend aan Koezmins Een forel breekt het ijs, waarover later.

Net zo min als hij zich bekende tot enige stroming, liet Koezmin zich beroeren door de maatschappelijke actualiteit. Politiek was hij een onbeschreven blad; sociale problematiek liet hem siberisch. Zijn houding tegenover de werkelijkheid was een poëtische: hij verstond de kunst poëzie te zien in alle verschijnselen van het leven, ook de meest simpele en alledaagse. Zijn poëzie is aards, lichtvoetig, anekdotisch en sensueel. Daarom is hij vaak voor banaal en naïef versleten en als dichter niet helemaal serieus genomen. Maar er was ook volop lof, onder meer van Mandelstam (‘De gedichten van Koezmin zijn niet alleen gemakkelijk te onthouden, ze blijven je ook bij’) en van Pasternak. Met de laatste heeft Koezmin een jarenlange briefwisseling onderhouden en in 1924 droeg Pasternak zijn Vozdoesnye poeti (Luchtwegen) aan hem op.

 

Marina Tsvetajeva was een van de weinige collegadichters die zich sterk verwant voelde met Koezmins werk en denkwereld. Naar aanleiding van het bericht van zijn dood in 1936 schreef zij een essay dat ze de titel gaf van een van zijn gedichtenbundels die op haar een diepe indruk had gemaakt: Nezdjesnye vetsjera (Onwereldse avonden). Daarin beschrijft zij een ontmoeting met Koezmin in 1916 in Petersburg. Ze was ronduit gebiologeerd door zijn ogen, waaraan ze in 1921 zelfs een gedicht wijdde.

In het essay stipt zij ook zijn reputatie aan: ‘In Moskou gingen verhalen over Koezmin. Over elke dichter gaan verhalen en die worden altijd door dezelfde afgunst en boosaardigheid ingegeven. Het refrein op het woord Koezmin was “aanstellerig, opgemaakt”. Er was geen aanstellerij: er was de natuurlijke gratie van een uniek iemand […], een aangeboren maniërisme. […] Wat de “make-up” betreft: die was er. Gelijkmatig en dik, donkerbruin, moors, mulats, goddelijk. Alleen was hij niet “opgemaakt” maar gebeitst, sterker nog: gedrenkt; of het was in de helse koffie van dichterlijke slapeloosheid of in het notenbruine sap van alle sprookjes, of in een overgeërfd exotisch bloedmengsel – dat weet ik niet. Ik weet alleen dat ik nooit een gelijkmatiger en bruiner, bruiner en gelijkmatiger – en natuurlijker– gelaatskleur heb gezien.’

Haar essay eindigt met het slot van een brief aan Koezmin, waarin zij een bezoek beschrijft aan een coöperatieve schrijversboekhandel tijdens de Burgeroorlog, waar ze een handgeschreven kopie van Koezmins bundel Onwereldse avonden in handen krijgt. Het zien van die gedichten bezorgt haar een gevoel van ‘pijn, vreugde en verrukking. Wat rest mij je te zeggen, dan: Jij bent mij zo na, zo dierbaar.’

 

Echt dierbaar voor Koezmin zijn twee jonge dichters geweest: Vsevolod Knjazev en Joeri Joerkoen – de grote liefdes van zijn leven. Beiden hebben hem in de steek gelaten voor een vrouw. Zijn verhouding met Knjazev, die duurde van 1910 tot 1912, eindigde in een tragedie. Knjazev, die twintig jaar jonger was dan Koezmin, werd verliefd op de beeldschone actrice Olga Soedejkina. Samen met Achmatova vormde zij het oogverblindend middelpunt van het eind 1911 geopende cabaret ‘De zwerfhond’. Dit was, tot aan de sluiting in maart 1915, de favoriete verzamelplaats van de Petersburgse bohème.

Toen het Knjazev duidelijk werd dat hij geen schijn van kan maakte bij de door velen begeerde Soedejkina, schoot hij zich met een revolver door het hoofd. Koezmin was diep geschokt door deze gebeurtenis. Veertien jaar later reageerde hij op Knjazevs dood in zijn gedichtenbundel Forel razbivaet led (Een forel breekt het ijs). Ook Anna Achmatova, die een tijd lang nauw bevriend was met Olga Soedejkina, vond inspiratie in dit drama. Het vormde de basis voor haar Epos zonder held.[5]

Met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog kwam er een einde aan de periode van schier onbegrensde artistieke mogelijkheden. De strenge en puriteinse oorlogscensuur maakte tal van publikaties onmogelijk. Ook Koezmin werd hiervan het slachtoffer. In de herdruk van zijn bundel Netten werd menige versregel vervangen door een rij puntjes. Door de Oktoberrevolutie verslechterde de situatie nog meer. Tegen het einde van 1918 verkeerden de meeste schrijvers in deplorabele omstandigheden. Doordat zij niet konden publiceren dreigden ze te verhongeren.

 

Een ware crisis brak uit in de boeken- en tijdschriftproduktie door een enorme schaarste aan papier. Evengoed verscheen in 1918 de gedichtenbundel Vozjatyj (De leidsman) van Koezmin, die hij al voor de Revolutie had geschreven en die zo goed als onopgemerkt is gebleven. Grote ophef veroorzaakte daarentegen zijn in 1920 in een kleine genummerde oplage van 307 exemplaren verschenen bundel Zanavjesannye kartinki (Schilderijtjes achter gordijnen). Het was een verzameling van zeven erotische gedichten, voorzien van op Beardsley geïnspireerde illustraties door Vladimir Milasjevski.

Koezmin had ze geschreven in de periode 1914-1918 en gaf ze uit pure geldnood in druk nu de censuur tijdelijk was versoepeld. Toch moest de uitgever ongenoemd blijven en werd als plaats van uitgave Amsterdam vermeld in plaats van Petersburg, dat overigens in de storm der tijden was omgedoopt tot Petrograd. De gedichten behandelen het onderwerp van homo- en heteroseksuele liefde op een humoristische manier. Zoals te verwachten viel, werden de verzen ongemeen populair onder de Petrogradse beau monde.

De winter van 1920 was uitzonderlijk streng: voedsel en brandstof waren schaarser dan ooit. Koezmin zag zich gedwongen zijn bibliotheek, kunstcollectie en manuscripten te verkopen om in leven te blijven. Ondanks zijn afkeer van politieke ideologieën had hij na het uitbreken van de Revolutie de kant gekozen van de bolsjewieken, omdat die een einde wilden maken aan de oorlog door vrede te sluiten met Duitsland. Maar zijn enthousiasme voor de omwenteling sloeg om in teleurstelling, naarmate de nasleep ervan steeds chaotischer vormen aannam en zelfs uitliep op een burgeroorlog.

 

Ook in zijn persoonlijk leven bleef hij niet gespaard voor teleurstelling. Kort na de dood van Knjazev had Koezmin de achttienjarige Joeri Joerkoen ontmoet, een aankomende schrijver afkomstig uit Litouwen. Hij zag in hem een literaire protégé, maar ook een mogelijke plaatsvervanger voor Knjazev als levensgezel. Hij nodigde de jongen uit naar Petersburg te komen. Joerkoen gaf gehoor aan die invitatie en trok samen met zijn moeder bij Koezmin in. Die zag zich nu genoodzaakt voor hun drieën de kost te verdienen. Hij schreef in die jaren veel proza, dat hij verkocht aan tijdschriften die hem per regel betaalden. Ook schreef hij tal van komedies en operettes voor kleine theaters.

Koezmins verhouding met Joeri Joerkoen was jarenlang vrij harmonieus en bestendig, tot zich in 1921 een crisis voordeed. Joerkoen trad plotsklaps in het huwelijk met de actrice Olga Arbenina, om wier gunsten Goemiljov en Mandelstam nog streden. Joerkoen verliet Koezmin, zijn moeder aan diens zorgen overlatend. Koezmin vreesde een zelfde afloop als jaren eerder met Knjazev. Maar dat gebeurde niet. Joerkoen kwam samen met zijn vrouw terug bij Koezmin en er ontstond een merkwaardige driehoeksverhouding, die tot aan zijn dood zou voortduren.

Met de introductie van de nep, de Nieuwe Economische Politiek, ging er een andere geest waaien in Petrograd. Winkels en cafés gingen weer open en er verscheen voedsel en kleding op de markt. Ook kwam er een einde aan de papierschaarste en zo kon in 1921 Koezmins gedichtenbundel Onwereldse avonden verschijnen en in 1923 een herdruk van Op vleugels.

 

De jaren 1921 en 1922 waren een zeer creatieve periode in het leven van Koezmin. Hij schreef gedichten, proza, literaire en toneelkritieken. Eind 1922 verscheen zijn gedichtenbundel Paraboly (Parabolen). De publikatie van zijn nieuwe poëzie werd echter zo goed als genegeerd door de kritiek.

Waarschijnlijk omdat zijn werk een nieuwe richting was ingeslagen die de critici niet konden volgen (men noemde hem in die tijd ‘de nieuwe Koezmin’). Zijn nieuwe poëzie was duisterder en gecompliceerder dan zijn vroegere werk en in tegenspraak met zijn reputatie van ‘klare helderheid’. De gedichten uit Parabolen zijn wel de meest onbegrijpelijke van de Russische poëzie genoemd.

Begin 1925 zette de sovjetpers, die hem eerst had gehekeld vanwege zijn ‘Amsterdamse pornografie’ uit Schilderijtjes achter gordijnen, openlijk de aanval in tegen Koezmin. Men stoorde zich aan de sfeer van ‘stil genoegen van een privéleven’ die uit zijn gedichten sprak. Trotski schreef in zijn standaardwerk Literatuur en revolutie (1924) over Koezmins werk als ‘een literatuur van afgedankte gedachten en gevoelens’ en noemde hem een ‘binnenlandse emigrant van de revolutie […], niet meer dan een laatst overgeblevene, getroffen door impotentie.’

 

Trotski stelt zich in zijn boek op het standpunt dat er een nieuwe kunst gecreëerd moet worden nu de revolutie de bourgeoisie ten val had gebracht, en mét haar de kunst die zij had voortgebracht. Hij vond het absurd dat een dergelijke maatschappelijke omwenteling geen weerklank zou vinden in de literatuur van het tijdperk. Zo’n nieuwe kunst kon in zijn ogen alleen gemaakt worden door degenen die één waren met hun tijdperk. De nieuwe kunst was voor hem vooral strijdig met mysticisme, omdat de revolutie uitging van de idee dat de mens heer en meester was, en dat de grenzen van zijn macht bepaald werden door zijn kennis van de natuurlijke krachten en zijn vermogen die te benutten. Nieuwe kunst was onverenigbaar met pessimisme, scepsis en ‘alle andere vormen van geestelijk verval’.

De kunstopvattingen van Koezmin staan hier lijnrecht tegenover. In een credo uit 1924, getiteld Emotionaliteit als basis voor de kunst, noemt hij de artistieke ervaring absoluut uniek: ‘De drang tot kunst en schepping komt voort uit liefde. De kunst is net als de liefde en het leven zelf in beweging. Vorm is slechts voorwaarde voor de kunst en niet haar functie of doel.’ Zijn grootste bezwaar tegen deelname aan een literaire school was het gevaar zijn artistieke identiteit te verliezen.

Daarom conformeerde hij zich, ondanks de felle kritiek op zijn persoon, niet aan het dictaat dat aan de literatuur werd opgelegd door de Associatie van Proletarische Schrijvers, de leidende schrijversorganisatie van de Sovjetunie. Alsof de tijd hem niet had beroerd, bleef hij een heldere, lichtvoetige en levenslustige auteur. Als enige van zijn vakgenoten liet hij zich geestdriftig uit over nieuwe stromingen in de westerse kunst zoals het expressionisme en het surrealisme, en over de jazzmuziek die destijds triomfen vierde.

Door zijn afwijkende gedrag raakte hij steeds meer vervreemd van de officiële literaire wereld, die hem uitmaakte voor een ‘neo-bourgeois’. In 1926 kreeg hij met moeite drie gedichten gepubliceerd; na dat jaar verdwenen zijn naam en zijn werk uit de pers en werd hij zo goed als doodgezwegen. In deze periode takelde ook zijn gezondheid af; hij leed aan angina pectoris. Maar zijn werkkracht bleef ongebroken. Hij schreef vooral poëzie en maakte vertalingen om in leven te blijven.

 

In 1928 werd hij gevraagd voor een poëzieavond die was georganiseerd door studenten van een literair instituut in Leningrad.[6] Voor hen was Koezmin een legende, een van de laatste grote schrijvers van zijn generatie die nog in leven waren en literair actief. De directeur van het instituut wilde aanvankelijk geen toestemming geven voor de lezing omdat hij een schandaal vreesde, maar ging toch overstag.

Koezmin werd door de studenten van huis opgehaald in een van de laatste huurrijtuigen van de stad, een gebaar dat hij zeer op prijs stelde. Hij was gekleed in een versleten kostuum uit zijn gloriedagen en maakte zich zorgen of zijn optreden wel publiek zou trekken. Bij aankomst bleek de zaal stampvol te zitten en een groot aantal mensen verdrong zich buiten in de rij om nog een plaatsje te bemachtigen. Al gauw gingen de kaartverkopers voor de menigte op de loop, waarop die de zaal binnen stormde. Het bleek dat de hele homoseksuele bevolking van de stad was uitgelopen. Dit was de laatste gelegenheid waarbij zij zich zo massaal in het openbaar konden vertonen; in 1934 werd homoseksualiteit bij de wet verboden.[7] Koezmin oogstte veel bijval met zijn gedichten, in het bijzonder met zijn nieuwe cyclus Een forel breekt het ijs, waarin opnieuw de homoseksuele liefde centraal staat. Tijdens de ovatie die volgde op zijn optreden werd hij bedolven onder bloemen.

 

Geïnspireerd door het succes van zijn lezing, ging Koezmin op zoek naar een uitgever voor zijn nieuwe gedichten. Hij slaagde erin om in 1929 Een forel breekt het ijs gepubliceerd te krijgen in een oplage van tweeduizend exemplaren. Zelf beschouwde hij deze bundel, die zes cyclussen bevat, als zijn meesterwerk. De openingscyclus, waaraan de bundel zijn titel ontleent, beschrijft zijn kennismaking met Knjazev en de verschillende stadia van hun vriendschap, culminerend in zijn zelfmoord.

Zelden heeft Koezmin het thema van de homoseksuele liefde openlijker en poëtischer behandeld, maar ook zelden meer complex. In deze cyclus, evenals in de andere gedichten uit de bundel, werkt hij zijn associatieve methode verder uit die hij in Parabolen had geïntroduceerd. Hij koppelt herinneringen aan het heden, vermengt de symbolistische traditie met het expressionisme en goochelt met beelden en motieven. Biografie en verzinsel worden versmolten tot één geheel.

Anna Achmatova zei in 1940 tegen Lidija Tsjoekovskaja over Forel: ‘Alles uit dat boek is afkomstig van het Duitse expressionisme. Dat kenden wij niet, daarom klonk het voor ons als een oorverdovende noviteit’. Achmatova begon aan haar magnum opus Epos zonder held nadat zij Koezmins Forel had gelezen. In veel opzichten voert zij in het Epos een polemiek met Koezmin; er zijn ook tal van thematische overeenkomsten tussen beide dichtwerken.

De grootste tegenstelling tussen haar en Koezmin ligt in het thema van het geweten dat in het Epos een belangrijke rol speelt, terwijl het in Forel ontbreekt. Koezmin kleineert in het slotgedicht van de cyclus zelfs zijn gevoelens voor Knjazev, en wijst daarmee iedere verantwoordelijkheid voor diens zelfmoord af.

De reactie van de kritiek op Forel was voor Koezmin een geweldige teleurstelling. Er verschenen maar twee artikelen in de pers, en die waren ook nog negatief. Hij besloot nooit meer een gedicht te publiceren, en daaraan heeft hij zich gehouden.

 

In de jaren die volgden leefde Koezmin, net als andere monddood gemaakte schrijvers zoals Pasternak en Achmatova, van vertalingen – zowel voor het theater als voor de literatuur. Met Joerkoen, diens moeder en vrouw Olga Arbenina (die niet permanent bij hen woonde) leefde hij in behoeftige omstandigheden. Hij was de enige kostwinner en werkte hard. Iedere ochtend stond hij om acht uur op; hij schreef, las en speelde piano tot vijf uur ’s middags. Daarna stond zijn deur open voor bezoek.

Zijn gastvrijheid deed denken aan die van Ivanov in de jaren van de Toren. Tronend achter de samovar in zijn kleine woonkamer, ontving hij een grote schare van bezoekers. Koezmin was de meest ontwikkelde schrijver in Leningrad en bovendien een briljant causeur. Jonge talentvolle kunstenaars werden aangetrokken door zijn kennis en persoonlijkheid. Ofschoon hij vol verhalen zat over het verleden, bleef zijn belangstelling uitgaan naar alles wat nieuw was in het culturele leven van Rusland en West-Europa.

Sinds zijn volwassen jaren hield Koezmin een dagboek bij. Dat bevatte een gedetailleerde beschrijving van het literaire en culturele leven in St. Petersburg/Petrograd/Leningrad, waarin hij tussen 1903 en 1929 een spil was.

Uit geldnood verkocht hij in 1930 dit gedeelte van zijn dagboek, samen met manuscripten en brieven uit die jaren aan het Letterkundig Museum in Moskou.

Koezmin heeft zijn dagboek voortgezet; tot aan 1934 in vrijwel dezelfde stijl. In dat jaar veranderde hij de opzet ingrijpend. Het werd nu een soort prozagedicht. Hij maakte gebruik van de methode die hij in zijn poëzie had ontwikkeld om heden en verleden samen te smelten. Dit dagboek van zijn laatste twee levensjaren moet, volgens mensen die hij er fragmenten uit heeft voorgelezen, Koezmins belangrijkste prozawerk zijn geweest.

Door zijn gebrek aan belangstelling voor de politieke actualiteit had hij geen idee van de draagwijdte van de massale arrestaties die in 1936 begonnen. Hij was ziek (zijn angina pectoris was niet operabel), overwerkt, slecht gekleed en ondervoed. Eind februari 1936 werd hij opgenomen in het ziekenhuis vanwege zijn hartkwaal. Hij was heel zwak en vatte kou op een tochtige gang, waar zijn bed stond omdat de zalen overvol waren. Op 1 maart stierf hij aan longontsteking, nog geen vierenzestig jaar oud.

 

Zijn vriend Joeri Joerkoen werd in 1938 gearresteerd en zou kort daarop worden gefusilleerd. Bij de huiszoeking werden manuscripten van Koezmin in beslag genomen, waaronder zijn dagboek. Na de oorlog bleek het meeste van het materiaal verdwenen te zijn. Een deel van de manuscripten is nog voor Joerkoens dreigende arrestatie in bewaring gegeven aan vrienden.

Over het lot van die papieren gaat de volgende anekdote. Tijdens de Tweede Wereldoorlog belandden die vrienden in Duitsland. Bij gebrek aan een betere schuilplaats hadden ze de manuscripten van Koezmin met zich meegesleept. Die koffers met papieren lieten ze tijdens de gevechten bij bekenden in de omgeving van Berlijn achter in een garage. Maar het front verplaatste zich en die garage viel in handen van het plunderende Rode Leger. De plaatselijke bewoners zagen hoe de Russische soldaten sigaretten rolden van dun papier dat in stapels rond de garage verspreid lag. Vermoedelijk zijn dat de manuscripten van Koezmin geweest, die zijn vrienden zo naarstig hadden geprobeerd te redden.[8]

 

Na zijn dood raakte Michaïl Koezmin volkomen in de vergetelheid. Van tijd tot tijd werd een van zijn vertalingen herdrukt; zijn oorspronkelijke werk nooit. Zijn naam verdween uit handboeken en encyclopedieën. Maar in de jaren zestig herleefde de belangstelling voor zijn persoon en werk in literaire kringen in Leningrad. In die tijd werd ook de locatie van zijn graf op het Volkov-kerkhof teruggevonden en van een grafsteen voorzien met de volgende tekst: Michaïl Koezmin, dichter, 1875-1936. Dat zijn geboortejaar niet klopte, werd later pas ontdekt.

 

1988



[1] Op vleugels verscheen in 1982 in een vertaling van Kristien Warmenhoven bij de Arbeiderspers.

[2] Lochvitskaja (1869-1905), wier poëzie volkomen in het vergeetboek is geraakt, genoot in de eerste twee decennia van de 20ste eeuw een faam die vergelijkbaar is met de overweldigende populariteit van Achmatova in die jaren.

[3] Tsvetajeva schreef zelf in 1933 een essay over lesbische liefde, getiteld Brief aan een Amazone.

[4] Uit een gesprek van de Russische journalist Solomon Volkov met Joseph Brodsky over Anna Achmatova, gepubliceerd in het tijdschrift Kontinent (1987, no. 53).

[5] Epos zonder held verscheen in een vertaling van Hans Boland in 1984 bij Meulenhoff.

[6] Petrograd werd na de dood van Lenin in 1924 nogmaals omgedoopt, nu tot Leningrad.

[7] Recentelijk wordt overwogen homoseksualiteit te schrappen uit het wetboek van strafrecht.

[8] Waarheid of verdichting, in 1998 werd alsnog Koezmins bewonderde dagboek uit 1934 gepubliceerd, naar een kopie gemaakt in opdracht van zijn erfgenaam Joeri Joerkoen.

Kristien gezien door Mark