Sterker dan de eeuw

Een felle blik uit ogen als karbonkels, die vreemd afsteken bij haar frêle, gebogen gestalte. Ze begint meteen te praten, want stof is er genoeg. In 1901 geboren in Sint-Petersburg – de stad die ooit Leningrad werd genoemd – heeft ze bijna een eeuw van roerige tijden achter de rug: oorlog, revolutie, emigratie, armoede en vergetelheid. Aan die vergetelheid overigens kwam in 1985 definitief een einde. Toen werd in Frankrijk haar novelle De begeleidster uit 1935 herontdekt. Haar alom geprezen autobiografie die vier jaar later volgde – en waarvan de Nederlandse vertaling onlangs bij De Arbeiderspers verscheen onder de titel Cursivering van mij – stond ruim een jaar op de Franse bestsellerlijsten en werd bekroond met de Gutenbergprijs voor het beste boek van 1989. Sindsdien is ze in Europa een literaire beroemdheid.

 

Met haar onstuitbare vitaliteit logenstraft zij alle wetten van de ouderdom. Zelfs de ontdekking van een kankergezwel in haar rechterborst, waarvoor ze deze zomer het ziekenhuis in moest, heeft haar niet terneergeslagen. Jammer dat het feest ter ere van haar negentigste verjaardag niet kon doorgaan, maar het gezelschap van Marcello Mastroianni, die speciaal voor haar naar Philadelphia was gekomen, maakte veel goed.

Nina Berberova is de schrijfster van een veelomvattend oeuvre. Op haar tiende begon ze met gedichten; haar laatste boek – een geschiedenis van de Russische vrijmetselarij in de 20ste eeuw – dateert uit 1986. Ze schreef twee biografieën: van Tsjaikovski, waarin zij het taboe op zijn homoseksualiteit doorbrak, en van Moera Boedberg, een Russische Mata Hari en vriendin van Maksim Gorki. Maar ze werd vooral bekend door een tiental novellen over het leven van Russische emigranten. Opgetogen vertelt ze dat via Jacky Onassis, die als reader werkt voor uitgeverij Knopf, een verhalenbundel in Amerika is uitgekomen die in korte tijd een tweede druk wist te halen.

 

Trots leidt ze me rond in haar tweekamerflat in het historische stadsdeel van Philadelphia, gekocht van het geld dat ze met haar boeken heeft verdiend. De wanden zijn bedekt met boeken en tijdschriften. Overal hangen foto's en portretten van beroemde Russische schrijvers die ze heeft gekend. Op de gang hangt de Franse oorkonde uit 1989 van haar benoeming tot Ridder in de Orde van Kunst en Letteren, ondertekend door Jack lang. Daar hoort een medaille bij, die ze ergens uit een la opduikelt. Het streelt haar wel, die aandacht van de Fransen. Dat is wel eens anders geweest.

Ze woont nu alweer twintig jaar in de Verenigde Staten. In 1989 ging ze voor het eerst weer terug naar haar geboorteland. Bij thuiskomst bleek haar bloeddruk opgelopen tot 210/108. 'het was vreselijk. Wat er van die mensen is geworden! Het was overal hetzelfde: afgunst en waanzinnige angst voor elkaar. Ik was nerveus van de vroege ochtend tot de late avond. Ik wil er nooit meer heen.'

De recente gebeurtenissen in de Sovjetunie stemmen haar ook al niet vrolijker. Hoewel ze vermoedt dat het culturele klimaat er beter op zal worden, ziet ze vooral in economisch opzicht barre tijden in het verschiet. 'Straks zeggen ze in Rusland nog dat onder Stalin alles beter was!'

 

Samen met de dichter Vladislav Chodasevitsj verliet ze in 1922 moedertje Rusland. Eenentwintig was ze en vol dichterlijke aspiraties; hij was vijfendertig, een volgroeid dichter. Eerst reisden ze naar Berlijn, het centrum van de Russische emigratie in die jaren. Emigranten voelden zij zich niet; dat werden ze pas in 1925, toen bleek dat Chodasevitsj bij terugkeer onmiddellijk door de bolsjewieken gearresteerd zou worden.

Hun eerste winter buiten Rusland brachten ze door bij Maksim Gorki, met wie Chodasevitsj een tijdschrift maakte. Ze vergezelden hem naar Praag en Sorrento, waar ze tot aan hun breuk in 1925 zijn huisgenoten waren. Berberova wijt Gorki's pro-sovjethouding en zijn uiteindelijke terugkeer naar de Sovjetunie vooral aan financiële omstandigheden. Hij moest zich permanent verzekeren van een groot inkomen, want er teerden minstens vijftien man op zijn zak – van bloedverwanten tot volslagen onbekenden. Bovendien werd hij aan alle kanten getild, zoals door zijn Italiaanse kok die hem fabelachtige rekeningen voorschotelde. Ze weet er smakelijk over te vertellen.

Na het vertrek van Gorki vestigden zij zich in Parijs. In de jaren dertig woonden daar ruim 80.000 Russische emigranten; voor het merendeel officieren en soldaten van het Witte leger, die veelal werk vonden in de Renaultfabrieken. Eén op de vier arbeiders van Renault was een Rus. Bittere armoede was hun lot. Chodasevitsj werkte als criticus bij emigrantentijdschriften en Berberova deed thuiswerk: parels rijgen en kruissteekjes borduren. Totdat Chodasevitsj haar aan het schrijven zette. Ze werd verslaggeefster van het emigrantendagblad poslednije novosti en boekte succes met een serie ironische verhalen over het emigrantenleven in de voorsteden van Parijs.

In 1935 verscheen haar eerste novelle, De begeleidster. Er zouden er nog een stuk of tien volgen. Alle novellen – twee ervan noemt zij na al die jaren zelf 'niet slecht' – vertellen onsentimenteel van het échec van de Russische emigranten; hoe zij, beroofd van hun land en hun verleden, lijdzaam wachten op een wending van het lot.

De Russische emigranten in Parijs, voornamelijk intellectuelen, ondervonden weinig sympathie bij de Fransen. Die dachten dat ze allemaal van adel waren en dus hun verdiende loon hadden gekregen. De mannen werkten doorgaans in de fabriek of als taxichauffeur; de vrouwen als toiletjuffrouw. Hun kinderen konden niet doorleren, omdat daar geen geld voor was. Om de dagelijkse misère te ontvluchten, zochten de mannen steun bij elkaar in vrijmetselaarsloges. 'Ze wisselden nieuwtjes uit, bespraken de politieke ontwikkelingen. Het haalde hen even uit hun armoedige, smerige huizen waar het krioelde van de kinderen en de afgematte vrouwen. Ze zaten aan een schoon tafelkleed wijn te drinken en te praten. Dat gaf ze de overtuiging dat ze niet alleen waren en niet te gronde zouden gaan.'

Door Chodasevitsj leerde ze de emigrantenschrijvers kennen. In Cursivering van mij portretteert ze hen: helder, geestig en niet zonder venijn. Vooral Nobelprijswinnaar Ivan Boenin moet het ontgelden. Ze dicht hem een tyranniek en moeilijk karakter toe. Een aardse geest, die niets begreep van schilderkunst of van muziek. Het prototype van de conservatieve emigrant, wiens artistieke smaak tot stilstand was gekomen.

 

De enige schrijver die haar onvoorwaardelijke goedkeuring kon wegdragen was Vladimir Nabokov, die zij kende uit zijn Parijse tijd. De enige ook wiens leven glorieus afstak bij het mislukte bestaan van de meeste andere emigrantenschrijvers. 'Maar Nabokov had ook een terurig leven. En moeilijk. Zijn vrouw was joods en ze moesten op het laatste moment uit Frankrijk weg voor Hitler. Zijn zoon was toen een jaar of zeven en vreselijk ziek, en moest in die conditie mee op de boot. Hij was een van de laatsten die scheep ging van Frankrijk naar Amerika. Dat was een tragisch moment. Zonder Nabokov was de emigratie nooit een thema geworden. Natuurlijk stak hij boven de rest uit door zijn talent, zijn roem en zijn grandeur. Maar hij had ook iets autoritairs, iets rijkeluisachtigs. Hij was trots, arrogant, met weinig warmte of belangstelling voor zijn medemens.

'Toen hij voor het eerst uit Engeland naar Parijs kwam, beledigde hij iedereen. Hij vertelde graag dat zijn vader een genie was en zijn moeder de dochter van een miljonair. Hij heeft ook eens geprobeerd mij op stang te jagen, maar tevergeefs. Hij kon me niet kwaad krijgen, want ik beschouw hem als een genie. Ik heb werkelijk achting voor iedere lettergreep die hij heeft geschreven. Ik was blij om zijn succes. Ik vond dat hij prijzen verdiende. Dat zijn leven vergemakkelijkt moest worden, zodat hij kon schrijven. Maar toen Chodasevitsj en ik in 1932 uit elkaar gingen, noemde hij mij in een artikel nogal hatelijk Miss Berberova. Omdat hij wist dat we niet getrouwd waren.'

 

Trouwen vond ze altijd maar onzin. Toch zou ze het één keer doen, in 1936, met de schilder Nikolaj Makejev. 'Ik kreeg als statenloze natuurlijk nergens een visum voor. Niet voor Holland, niet voor Spanje. En hij wilde beslist met mij reizen, musea bezoeken. Ik wilde mee, daarom ben ik getrouwd. Ik begreep dat hij niet zonder mij kon. Later ben ik van hem gescheiden omdat hij van een vrolijk, jeugdig, energiek, goed en ruimhartig mens veranderde in een gierigaard en een dronkelap, een nietsnut.

'Hij was kapot gemaakt door de oorlog en het nietsdoen. Een energiek type als hij, en er viel niets te doen dan wat brandhout hakken. Verder niks. Hij hield op met schilderen. Niets interesseerde hem meer, alleen drank. Hij was voortdurend halfbezopen. Ik zag hem onder mijn ogen aftakelen en ik kon niets doen. Wat een oorlog niet kan aanrichten! Zonder die oorlog zouden we nog heel lang samen zijn geweest. Hij was zo vrolijk, iedereen hield van hem. Nikolasja, noemden ze hem. Het was een tragedie. Hoe heet dat goedje, een soort vodka, gestookt uit appelen? Calvados, ja. Vreselijk was het.

'Zijn vrienden bleven geleidelijk weg. Voor die tijd waren we gelukkig; we waren buiten gaan wonen, ik schreef en werd uitgegeven – opeens ging het mis, toen de oorlog uitbrak. Hij kreeg geen tentoonstellingen meer, verkocht niets. Het is treurig met hem afgelopen. Hij kwam tenslotte terecht in een soort bejaardentehuis aan de Rivièra, tussen allemaal zenuwpatiënten. Een vreselijk lot. En toen ik in '50 naar Amerika vertrok, heb ik afscheid van hem genomen en hebben we de scheiding officieel geregeld. Later heb ik hem nog wel eens geld gestuurd. Niet veel, want ik had zelf bijna niks. Maar langzaam kwam ik er bovenop en heb ik hem geholpen. Ik ben nog één keer teruggegaan, maar dat was voor ons allebei pijnlijk.' Peinzend: 'Ik heb dit nog nooit aan iemand verteld. Maar het heeft mijn leven niet vergald. Ik was zo sterk, dat ik door zoiets niet stuk te krijgen was. Alles hangt af van de persoon. De een vergeet na een half jaar en herstelt volledig, is weer gezond, vrolijk, en de ander gaat in twee weken te gronde, tot de dood er op volgt.'

 

Ook de laatste jaren met Chodasevitsj in Parijs waren dramatisch. De tragiek van Chodasevitsj was dat hij in de emigratie niet de erkenning vond die hem toekwam. 'Ik vond hem een groot dichter, zonder me overigens door hem te laten beïnvloeden. Het was natuurlijk heel makkelijk geweest naast hem te leven en te schrijven zoals hij, alleen slechter. Dat heb ik nooit gewild. We zijn langzaam uit elkaar gegroeid. Ik begreep opeens dat hij zonder me kon; toen zijn we uit elkaar gegaan. Terwijl het leek alsof hij niet kon leven zonder voortdurend iemand naast zich te hebben.

'En toen is hij getrouwd. Ik vermoed dat Olga Margoelina en hij niet als man en vrouw hebben geleefd. Evengoed trok ze bij hem in. Olga kwam uit een joods-burgerlijke familie en samenwonen, dat kon niet. Ik zag dat zij hem redde van de inktzwarte duisternis. Hij kon niet leven zonder te schrijven, en schrijven kon hij alleen in Rusland. Het waren vreselijke jaren. Je kon niet terug naar Moskou en zeggen: «Jullie kunnen de pot op met je politiek in Europa, ik ga naar huis». Dan ging je regelrecht het kamp in. Hij zou zijn omgekomen. Dus aan zoiets viel niet eens te denken.

Chodasevitsj – door Nabokov ooit de grootste dichter van onze tijd genoemd – teerde verbitterd weg aan kanker. Kort daarop werd Olga door de Duitsers gearresteerd en naar een concentratiekamp gestuurd; ze zou het niet overleven. 'Als ik aan die jaren terugdenk, zie ik dat wij ons niet bewust waren van de gruwel waarin we leefden. Er waren zoveel tragedies.'

 

Pas onlangs hoorde ze van een neef hoe haar ouders zijn omgekomen. 'Toen de belegering van Leningrad begon, in januari 1942, was er niets meer te eten in de stad. Er was geen brandstof meer, alle parketvloeren waren opgestookt. Mijn vader kreeg een brief van een tante uit Tbilisi die vroeg of ze daar kwamen wonen. Hij overlegde met mijn moeder; moesten ze wel of niet gaan. Zo'n reis was een hele onderneming. Bovendien kende mijn moeder daar niemand. Ze werden haast ziek van het feit dat ze geen beslissing konden nemen. De een zei «gaan», de ander «blijven». En inmiddels waren er in Leningrad al anderhalf miljoen mensen omgekomen.

'Uiteindelijk besloten ze te gaan. Ze kregen een plaatsje in de laatste trein die de stad verliet. Papa ging bij het raam zitten, kreeg een hartverlamming en stierf. En mama zat daar alleen. Er was niemand die kon helpen. Ze wist niet waar ze heen moest. Hun kamer waren ze kwijt. Hun huisraad was verkocht, hun geld zo goed als op. Mijn vader werd uit de trein gehaald, en mama verdween. Niemand heeft ooit nog een spoor van haar kunnen ontdekken. Misschien heeft ze zelfmoord gepleegd, misschien is ze omgekomen van de kou; het was hartje winter. Niemand weet het. Ze is verdwenen. Zo was ons leven.'

 

Na de oorlog keerde Nina Berberova terug naar Parijs. Maar van de Russische kolonie was niet veel meer over. Veel emigranten waren gestorven, anderen waren teruggekeerd naar de Sovjetunie en de rest was oud en ziek. In de Fransen was ze hevig teleurgesteld. Vooral in vooraanstaande Fransen zoals Gide, die de Sovjetunie beschouwde als een interessant experiment; Sartre, die slachtoffers van het stalinisme uitmaakte voor verraders en volksvijanden; Cocteau, die schreef dat dictators bijdragen aan de bevordering van het protest in de kunst. Geen enkele schrijver van naam had zijn stem verheven tegen de vervolging van intellectuelen in de Sovjetunie. Maar wat haar het meest schokte, was het proces tegen Viktor Kravtsjenko in 1949. Deze gevluchte Russische ingenieur had in zijn wereldwijd bekend geworden boek Ik verkoos de vrijheid voor het eerst het bestaan onthuld van concentratiekampen in de Sovjetunie. Maar zijn verhaal werd in het Westen met ongeloof ontvangen en een Franse communistische krant beschuldigde hem er zelfs van een cia-agent te zijn. Kravtsjenko bracht de zaak voor de rechter in Parijs en riep getuigen op uit de kampen in Kolyma en Karaganda.

Berberova schreef voor de Parijse krant roesskaja mysl een verslag van dit proces, dat door vele vooraanstaande Franse intellectuelen werd bijgewoond. Als geen ander begreep zij wat de crux was van deze rechtszaak: een aanklacht tegen het Sovjetregime. Kravtsjenko werd van alle blaam gezuiverd, maar het zou nog bijna dertig jaar duren – tot aan de publikatie van Solzjenitsyn's Goelag Archipel – voor intellectueel links in Frankrijk openlijk het bestaan van de kampen erkende en het regime van Stalin verwierp.

 

Berberova wachtte dat moment niet af. Op haar 49ste emigreerde ze in haar eentje naar New York, met vijftig dollar op zak en zonder een woord Engels te spreken. Ze trouwde met een genaturaliseerde homofiele musicus om aan een verblijfsvergunning te komen. De enige misdaad in haar leven noemt ze het. Ze bleven bevriend tot hij van haar scheidde om een volgende vluchtelinge te kunnen helpen.

Na zeven jaar en zeven verschillende baantjes werd ze uitgenodigd op de Universiteit van Yale om Russische zinnen voor te lezen aan de studenten, die deze dan in koor moesten herhalen. Verder hoefde ze niets te doen. Na anderhalve maand werd ze ontboden bij de hoogleraar, een Witrus die nog in het tsaristische leger had gediend. 'Ik dacht: nu word ik de laan uitgestuurd, Toen ik binnenkwam, zat hij in mijn boek over Aleksander Blok te kijken. Hij zei: «Nina, waarom hebt u voor ons verborgen gehouden dat u schrijfster bent?» In de universiteitsbibliotheek had hij zes boeken van me gevonden. Hij trad kordaat op: «Vandaag is het vrijdag. Dinsdag is uw eerste college, over het Russische symbolisme. Gaat u zich maar voorbereiden.»

'Ik had 42 dollar op zak. Daarmee heb ik wat paperbacks gekocht. Boeken over het symbolisme. Ik wist wel wat symbolisme was, maar ik moest het in het Engels formuleren. Dat was niet niks. Ik heb van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat zitten lezen. Het ene boek na het andere. Ik heb die boeken nog; ze staan vol potloodstreepjes. En twee weken later mocht ik driemaal per week college geven. Ik had vijf studenten en die zijn allemaal hoogleraar geworden. Dat heeft me geweldig geholpen.'

Via Yale kwam ze bij de Universiteit van Princeton terecht, waar ze tot aan haar pensionering heeft gewerkt. Haar vroegere collega's op de campus vond ze op een gegeven moment zo oud en afgestompt, dat ze niet langer in hun gezelschap wilde verkeren. Daarom ging ze eind vorig jaar in Philadelphia wonen, in de buurt van haar oud-studenten, inmiddels zelf bijna met pensioen.

 

Op haar 83ste begon de glorie. Een Française vertaalde op eigen houtje een van Berberova's novellen en stapte ermee naar een Franse uitgever. 'Die vertaling is het begin geweest. Er volgden twee herdrukken. Ik ben al driemaal uitgenodigd voor het Franse tv-programma Apostrophes van Bernard Pivot. En nu heeft Pivot me weer gevraagd voor zijn nieuwe programma.'

Het succes heeft haar volslagen verrast. 'Toen mijn autobiografie op de Franse bestsellerlijst kwam, raakte alles in een stroomversnelling. Het ene interview na het andere, buitenlandse uitgevers. Ik heb niet eens tijd gehad om nieuwe kleren te kopen.'

Inmiddels acht ze zichzelf te oud om nog te schrijven en ze heeft er ook geen zin meer in. Alleen met poëzie is ze lang doorgegaan. Maar ze is gestopt vanwege het rijm. 'Poëzie was honderdvijftig jaar geleden een van de weldaden van het leven. Maar dat is voorbij. Je kunt leven zonder ook maar één dichtregel te kennen, rijmend of niet-rijmend. In Rusland denkt de meerderheid nog dat je moet rijmen. Dat je nog kunt schrijven zoals Poesjkin. Maar dat werkt niet meer. Russen begrijpen niet dat wat geweest is, voorbijgaat en dat je dat op geen enkele manier kunt tegenhouden.'

 

Ze zet de thee nog op z'n Russisch: een bodempje sterk extract, aangelengd met kokend water. En steeds haalt ze weer iets te snoepen: chocola en cheesecake. Hoewel ze niet bang is voor de dood, heeft ze toch zo haar muizenissen: 'Ik betrap mezelf soms op bepaalde volkomen absurde zorgen: zal ik eerst naar de wc gaan en dan theewater opzetten, of eerst naar de keuken en dan naar de wc? Stompzinnig. Het is angst voor de tijd. Angst voor tijdverlies.'

 

1991

Kristien gezien door Mark