Een oeuvre gehakt uit marmer

Osip Mandelstam is vaak voor klein van stuk versleten. Een schriel en onopvallend iemand, behalve wanneer hij voordroeg uit zijn werk. Dan leek hij een gedaantewisseling te ondergaan en kreeg hij de uitstraling van een ziener en een profeet. Nadjezda Mandelstam heeft haar leven lang weersproken dat haar man klein zou zijn. Als zij –zelf van gemiddelde lengte– op hoge hakken liep, stak hij nog een kop boven haar uit, beweerde ze. Maar hoezeer de meningen over zijn postuur ook uiteenlopen, over zijn poëzie is men eensgezind. Mandelstam geldt als een van de grote Russische dichters van de 20ste eeuw.

Dat zijn poëzie ook internationaal faam heeft verworven, is te danken aan zijn weduwe. Op haar zeventigste publiceerde zij twee lijvige delen met herinneringen aan het leven van de dichter, hun chaotische samenleven onder primitieve omstandigheden dat negentien jaar duurde, en haar eigen moeizame bestaan na zijn dood als volksvijand in 1938, zonder vaste woon- of verblijfplaats, altijd op de vlucht voor de autoriteiten.

Mandelstam’s reputatie als dichter mag inmiddels wereldwijd verbreid zijn, zijn poëzie is echter nooit adequaat vertaald. Zijn biografie is zijn dichterschap blijkbaar vooruitgesneld. Mandelstam’s gedichten berusten voornamelijk op klank, wat ze inderdaad uitermate lastig te vertalen maakt. De meeste pogingen daartoe waren dan ook rijmloze weergaven van de letterlijke betekenis.

De slavist Peter Zeeman –al eerder bekroond om zijn vertaling van de poëzie van Joseph Brodsky– heeft een aantal gedichten van Mandelstam nu wel op rijm vertaald en het resultaat mag (getuige de hieronder geciteerde strofen; de niet-rijmende zijn van Kees Verheul) zonder meer geslaagd worden genoemd. Daarom is het jammer dat zijn artikelen en essays over de dichter, die ook in het boekje zijn opgenomen, nogal teleurstellend zijn vanwege de onbeholpen toon en het af en toe potsierlijke jargon. Als Zeeman Mandelstam echt had willen populariseren, zoals hij in zijn inleiding beweert, had hij beter kunnen ingaan op het bewogen leven van Osip en Nadjezda.

 

Ze hadden elkaar leren kennen in 1919 in een artiestencafé in Kiev. Zij was een joodse schilderes van negentien, hij een 28-jarige dichter met de reputatie van modernist. Mandelstam, zoon van een joodse lederhandelaar, had gedebuteerd in 1910 met gedichten en literatuurkritieken; in 1913 verscheen zijn eerste bundel Steen. Met zijn gedichten schaarde hij zich bij de acmeïsten, een stroming die een reactie was op het symbolisme. In het gedicht Notre Dame uit die bundel maakt Mandelstam duidelijk dat hij weinig twijfels had aan zijn poëtisch kunnen.

         En hoe nauwkeuriger ik, bolwerk Notre Dame,

         Jouw ongeëvenaarde ribben bestudeerde,

         Hoe meer ik wist dat ik ook zoiets kan creëren,

         ’t Weerbarstig zware tot iets moois vervormen kan.

Mandelstam leefde van de pen; hij schreef voor kranten en hield voordrachten uit zijn werk. Hij reisde veel, hoewel hij Petersburg, waar hij was opgegroeid, als zijn vaste woonplaats beschouwde. Anna Achmatova, die hem al kende sinds zijn twintigste, beschrijft hem als iemand met veel zelfspot en als een inspirerende gesprekspartner: hoffelijk, vindingrijk en eindeloos gevarieerd. Hij was heel innemend en in zijn karakter gingen de meest uiteenlopende eigenschappen samen: luiheid en ijver, toegevendheid en koppigheid, lafheid en heldenmoed, lichtzinnigheid en verstand. Ook werd hij vaak en hevig verliefd, zowel voor als tijdens zijn huwelijk met Nadjezda. Toch is die verbintenis maar één keer echt in gevaar geweest.

Het liefdesleven van de Mandelstams was stormachtig. Osip gedroeg zich tegenover zijn vrouw als een huistiran. Zij mocht de deur niet uit om te werken. Hij kneedde haar tot zijn slavin en was vreselijk jaloers. Overdag ruzieden ze, om het ’s avonds in bed weer goed te maken, vertelde Nadjezda later. Op de vraag van een Amerikaanse bewonderaarster of zij de dichter als een genie beschouwde, antwoordde zij laconiek dat ze niet wist of hij een genie was, maar dat zij hem een dwaas vond. Maar, voegde ze er voor de geschokte interviewster aan toe, hij was altijd heel opgewekt, zelfs in de moeilijkste perioden van zijn leven.

Die vrolijkheid was een gloedvolle eigenschap in een onwaarschijnlijk grauwe tijd. Mandelstam was zich terdege bewust van de onheilspellende wereld waarin hij leefde. Bij herhaling heeft hij tegen zijn vrouw gezegd: ‘Alleen bij ons hebben ze respect voor de poëzie. Alleen bij ons kan je er de doodstraf voor krijgen.’ Wat dat betreft had hij een profetische blik: al in een gedicht uit 1918 gaat de notie schuil dat de poëzie zijn dood teweeg zal brengen.

 

De eerste onmiskenbare kentekenen daarvan deden zich voor in 1921 na de verschijning van zijn tweede gedichtenbundel Tristia. Omdat Mandelstam van meet af aan zijn eigen spoor trok in de literatuur –bij hem geen lofdicht op de nieuwe maatschappij, maar culturele en historische motieven– wekte hij de woede op van de Sovjet-kritiek. Men verweet hem het luxe leven van de vroegere aristocraten te verheerlijken in plaats van zich sterk te maken voor de opbouw van het socialisme.

Gevolg van die animositeit was dat hij werd geweerd uit de pers en steeds moeilijker aan de kost kon komen. De toenemende druk die op hem werd uitgeoefend om zich te conformeren aan de proletarische Sovjetliteratuur maakte Mandelstam zo onzeker dat hij halverwege de jaren twintig stopte met het schrijven van gedichten. In 1928 culmineerde de vijandigheid toen er een hetze tegen hem begon nadat een vertaling van Tijl Uilenspiegel, die Mandelstam had bewerkt, door een fout van de uitgever alleen onder zijn naam was verschenen.

Deze gebeurtenis werd door de critici aangegrepen om al hun oude verwijten opnieuw uit te spelen. De lawine van beschuldigingen die Mandelstam nu over zich heen kreeg, kon hij tijdelijk ontvluchten doordat hij de kans kreeg een lang gekoesterde wens te vervullen. Zijn beschermer in de partijtop, Boecharin, wist te regelen dat Mandelstam samen met zijn vrouw een reis kon maken naar de Kaukasus. Daar kwam hij tot rust en hervond hij zijn dichterlijke inspiratie.

Tijdens hun tocht door het zuiden dicteerde Mandelstam zijn indrukken aan zijn vrouw. Die verschenen in 1933 onder de titel Reis naar Armenië in een tijdschrift, wat de verantwoordelijke redacteur zijn baan kostte. Want dit allegorische prozagedicht was het tegendeel van propagandistische reisreportages. Het Armenië van Mandelstam was niet de recent bij de Sovjet-Unie ingelijfde republiek met haar vijfjarenplannen, maar een sprookjesland met een rijke christelijke cultuur en traditie. Daar trof hij in plaats van de ‘watermeloenachtige leegte van Rusland’ de ‘volheid van leven’ en ‘de grootste intimiteit met de wereld van de echte dingen’.

Daar ook rekende hij resoluut af met zijn lasteraars in het Vierde Proza, een kort venijnig essay. ‘Ik bezit geen manuscripten, geen notitieboekjes, geen archieven. Ik heb geen handschrift, want ik schrijf nooit. Ik ben in Rusland de enige die vanuit de stem werkt, terwijl overal om mij heen dat tuig van de richel maar zit te pennen.’

 

In de jaren die zij aan de zijde van de dichter heeft geleefd, kon Nadjezda Mandelstam van nabij waarnemen hoe het dichtproces in zijn werk ging. Mandelstam zat nooit aan tafel met pen en papier. De gedichten welden als een soort muziek in hem op. Eerst van ver, maar de ruis werd steeds luider tot hij woorden kon onderscheiden.

Als een gedicht zich aandiende, raakte Mandelstam in een diepe concentratie en zonderde hij zich af in een ander vertrek of ging de straat op. Hij moest rondlopen: een gedicht ontstond op het ritme van zijn voetstappen. Mandelstam was ervan overtuigd dat er een rechtstreeks verband was tussen dichten en lopen. Hoeveel paar schoenen moet Dante wel niet versleten hebben, zei hij over de auteur van zijn geliefde Divina Commedia.

Later, toen hij verbannen werd naar Voronezj, een stad in de Russische provincie, waren de Mandelstams zo klein behuisd en vroor het ’s winters zo hard dat hij geen kant op kon. Nadjezda ging dan op bed liggen en deed alsof ze sliep, zodat de dichter zich even ongestoord kon voelen.

Pas als een gedicht af was, schreef hij het op en na zijn huwelijk deed hij ook dat niet meer, maar dicteerde hij alles aan zijn vrouw. Zij legde die blaadjes in een hutkoffer die toch nergens voor diende, en zo is bij toeval Mandelstam’s archief ontstaan. In een van zijn gedichten komt de passage voor: Bewaar mijn woorden voor altijd/Om hun bijsmaak van ongeluk en rook. Nadjezda Mandelstam heeft van die opdracht haar levenstaak gemaakt en die gedichten jarenlang voor de autoriteiten verborgen in pannen en overschoenen. Hun eerste ongecensureerde uitgave in Rusland liet tot 1990 op zich wachten; zij was toen inmiddels al tien jaar dood.

Mandelstam’s laatste publikatie bij zijn leven was Reis naar Armenië. Anna Achmatova vertelt in haar herinneringen dat de dichter na die publikatie opeens sterk verouderde: hij werd dikker, grijs en kreeg ademhalingsstoornissen. Maar, schrijft ze, zijn ogen bleven schitteren als vanouds en zijn gedichten werden steeds beter.

 

Een van Mandelstam’s meest bekende gedichten is het vers over Stalin, dat niet op papier stond, maar dat hij links en rechts voordroeg. Een van zijn toehoorders moet hem hebben aangegeven. In een meinacht van 1934 werd er bij de Mandelstams huiszoeking gedaan en werd de dichter samen met zijn papieren meegenomen. Tijdens het verhoor in de gevangenis bleek de geheime politie de tekst van het gedicht te kennen, hoewel ze die tussen de papieren vergeefs hadden gezocht. Mandelstam schreef de tekst voor de onderzoeksrechter op:

         Wij leven en hebben geen voet aan de grond,

         Wij spreken alleen met een blad voor de mond,

         En waar wij vertrouwelijk raken,

         Komt de man in het Kremlin ter sprake.

         Zijn vingers zijn dik en als wormen zo vet,

         En onder zijn woorden wordt alles geplet.

         Zijn kakkerlaksnorren smalen,

         Zijn laarzenschachten stralen.

         Om hem heen het gespuis dat beweegt op zijn wens,

         Dunhalzige leiders, half monster, half mens.

         Zij hinniken, blaffen, miauwen,

         En hij trekt alleen aan de touwen.

         Als hoefijzers smeedt hij bevel op bevel:

         Jij moet zus, jij moet zo, jij moet niet, jij moet wel!

         Hangop is zijn lievelingseten,

         En breed is de borst der Osseten.

Om dit weergaloos contrarevolutionair document werd Mandelstam verbannen naar de Oeral, waar hij –nog buiten zinnen van de verhoren in Moskou– een zelfmoordpoging deed. Zijn vrouw schreef een brief aan Stalin om het vonnis te verlichten. Na tussenkomst van Boecharin mocht hij zijn straf van drie jaar uitzitten in Voronezj.

 

De jaren in deze Russische provincieplaats waren een tijd van grote ontberingen. Mandelstam leefde met zijn vrouw op achterafkamertjes, waarvoor ze de huur maar met moeite bijeen konden brengen. De zieke dichter –hij leed aan angina pectoris– werkte als een bezetene. Hij wist dat zijn dagen geteld waren: ‘Ik haast me de volle waarheid te zeggen. Ik moet voortmaken.’ Achmatova, die hem in Voronezj bezocht, schreef in een gedicht dat angst en de muze beurtelings de wacht hielden in de kamer van de verbannen dichter.

Tussen december 1936 en mei van het jaar daarop maakte hij bijna zeventig gedichten, een ongehoord hoge produktie voor Mandelstam. De gedichten uit Voronezj, door zijn vrouw in drie schoolschriften genoteerd, beslaan bijna een kwart van Mandelstam’s oeuvre en behoren tot het beste dat hij geschreven heeft. Allesoverheersend daarin is het thema van zijn dreigende ondergang. Maar zijn onblusbare opgewektheid doet hem soms voor een moment ontsnappen aan die doem.

         Nog ben ik niet gestorven, nog ben ik niet alleen,

         Zolang ik met mijn vriendin de bedelares

         Geniet van de grootheid van de vlakten,

         Van de mist, de honger en de sneeuwstorm.

Zodra hij nieuwe gedichten af had, ging hij met zijn vrouw bij kennissen langs om ze voor te dragen. Die zamelden dan geld of levensmiddelen in, zodat de Mandelstams die dag te eten hadden. Zo bedelden zij hun kostje bijeen. Nadjezda Mandelstam zegt over die tijd in haar memoires dat het oneindig veel moeilijker is op de kogel te wachten dan om onmiddellijk neergeveld te worden. Ze wisten dat het einde nabij was, maar kenden het moment niet.

In mei 1937 liep de termijn van zijn verbanning af. Opgelucht keerden de Mandelstams terug naar Moskou om daar te ontdekken dat ze niet konden blijven, omdat ze geen verblijfsvergunning hadden. Ze hadden geld noch onderdak en raakten op drift. Van het ene logeeradres trokken ze naar het andere, volledig afhankelijk van wie hun wat toestopte.

Het einde volgde toch nog onverwachts. Op 1 mei 1938 werd Mandelstam voor de tweede keer gearresteerd, terwijl hij met zijn vrouw in een vakantiehuis verbleef. Op die dag verdween hij voorgoed uit haar leven. Volgens de officiële verklaring is hij eind december van datzelfde jaar in een doorgangskamp in Vladivostok overleden aan hartstilstand.

Osip Mandelstam, die in de woorden van een tijdgenoot gedichten hakte uit marmer, had een jaar voor zijn dood in Voronezj zijn hele leven al samengevat in de volgende regels:

         Ik heb de vreugde van het universum begeleid,

         Zoals het ingehouden orgelspel

         De melodie volgt van een vrouwenstem.

 

1993

Kristien gezien door Mark