Fatale liefdes

Vereeuwigd worden in de literatuur- geschiedenis, dat was de ambitie van de dichter Valeri Brjoesov (1873-1924). Al op zijn twintigste was hij vastbesloten het tot leider van de nog niet bestaande Russische Decadenten te brengen. Hij introduceerde die stroming door gedichten te vertalen van Verlaine, Maeterlinck, Mallarmé en Poe. Zijn eigen poëzie is een merkwaardige mengeling van exotisch decadentisme en burgerlijkheid. Brjoesov had zelf ook wel iets burgerlijks. Na een wilde puberteit trouwde hij op zijn drieëntwintigste met de Franse gouvernante van zijn jongere broers en zusters. Hij leidde met haar het bestaan van een brave huisvader, naast een stormachtig liefdesleven met tal van minnaressen.

De liefde was voor Brjoesov de inspiratiebron bij uitstek. Hij ging zo ver in het zoeken naar meeslepende ervaringen, dat zijn tijdgenoten hem opportunisme verweten. Hij zou relaties met vrouwen uitsluitend gebruiken als materiaal voor zijn werk. Zijn beroemde dichtregel: ‘Misschien is alles in het leven slechts middel tot een klinkend vers…’ wijst al in die richting. Maar ronduit onthullend is zijn roman De vuurengel, met als onderwerp zijn tragische driehoeksverhouding met de schrijfster Nina Petrovskaja en de jonge dichter Andrej Bjely.

In 1904 kreeg Petrovskaja, de vrouw van een Moskouse uitgever, een verhouding met de blonde god Andrej Bjely, die iedereen verblufte door zijn originaliteit en genie. Bjely – een latere adept van Rudolf Steiner – geloofde dat hij een mystieke roeping had. Toen Petrovskaja hem verleidde ging hij op de vlucht, verward door de plotselinge vermenging van erotiek en mystiek.

Brjoesov, die zich bezig hield met occultisme en spiritisme, bezwoer Petrovskaja dat hij hem door middel van magie bij haar terug kon brengen. Het resultaat van die seances was niet Bjely’s terugkeer, maar een affaire van de twee samenzweerders. Petrovskaja’s liefde voor Brjoesov en Bjely is haar uiteindelijk fataal geworden. Wanhopig toen Brjoesov op haar uitgekeken raakte, zocht zij haar toevlucht in drank en verdovende middelen. In 1928 maakte zij in een Parijs hotel een einde aan haar leven.

 

De vuurengel (1907) speelt zich af tegen het decor van het zestiende-eeuwse Duitsland – de bloeitijd van ketterij, zwarte magie, inquisitie en heksenvervolging. De verteller Ruprecht ontmoet in een herberg Renata, die bezeten is door demonen. Sinds haar meisjesjaren heeft zij verschijningen gehad van een lichtende engel. Als zij die op haar zeventiende door een list weet te verleiden, verandert hij in een vuurzuil en verdwijnt. Later meent zij hem te herkennen in de figuur van graaf Heinrich met wie ze een tijd lang samen is, tot ook hij spoorloos uit haar leven verdwijnt. Ruprecht moet haar nu helpen Heinrich en de vuurengel terug te vinden. Daartoe dwingt zij hem zich te verdiepen in zwarte magie en deel te nemen aan een heksensabbat.

De afloop is tragisch. Renata wordt beschuldigd van hekserij en eindigt op de brandstapel. Zo ontdeed Brjoesov zich op papier alvast van Nina Petrovskaja, terwijl hun verhouding in werkelijkheid zou voortduren tot haar vertrek uit Rusland in 1911.

Wat de vergelijking met Het hermetisch zwart van Marguerite Yourcenar en Uit de diepte van J.-K. Huysmans betreft: De vuurengel troont boven die andere romans uit door de grote persoonlijke betrokkenheid van de schrijver. Brjoesov’s personages zijn van vlees en bloed; als lezer ben je een voyeur bij een spannend drama. Brjoesov heeft zijn roman aan Nina Petrovskaja opgedragen met de profetische woorden: ‘Aan haar die veel liefhad en aan de liefde bezweek.’

 

1991

Kristien gezien door Mark