De spinnenwebben van het dagelijks bestaan

 

– Dus volgens jou overtrof die pennenlikker Rozanov al zijn tijdgenoten in bloeddorstigheid, snelde hij iedereen voorbij en stak ze de loef af?

– Iedereen, zonder mankeren.

– En hij had schijt aan alles?

– Aan alles.

– De ellendeling. En hoe stierf die bloedzuiger?

– Hij stierf zoals het hoort. Twee uur voor zijn einde bekeerde hij zich tot het ware geloof.

 

Deze dialoog komt voor in een novelle van Venedikt Jerofejev, auteur van het bekende Moskou op sterk water. De hoofdpersoon van Door de ogen van een zonderling heeft al een paar zelfmoordpogingen gedaan, maar steeds zonder succes. Nu eens stopt de trein op het nippertje, dan weer is er in de hele stad geen stuk touw te vinden. Als hij ten einde raad bij een bevriende apotheker langsgaat, krijgt hij behalve een flesje vergif ook drie boeken van de omstreden Russische filosoof Vasili Rozanov (1856-1919) mee. Nieuwsgierig gemaakt, besluit hij die eerst te lezen voordat hij het gif inneemt. Rozanovs methode om alle gewone begrippen en regels op zijn kop te zetten, overrompelt hem en redt zijn leven.

Jerofejev was daarmee in 1973 de eerste die de figuur van Rozanov terugbracht op het Russische culturele toneel, waarvan hij na de Revolutie was verbannen. Sindsdien is Rozanov herontdekt in de Sovjetunie: kranten en tijdschriften wijden grote stukken aan zijn ondogmatische ideeën en eind vorig jaar verscheen in Moskou voor het eerst sinds zijn dood weer een keuze uit zijn werk. In het voorwoord bij de uitgave wordt benadrukt hoe actueel hij nog steeds is.

 

Van huis uit een religieus filosoof, ontleent Rozanov zijn betekenis vooral aan zijn literaire werk – en met name aan drie boeken die hij geschreven heeft na zijn vijftigste. Solitaria (1911), Gevallen bladeren (1913) en Gevallen bladeren, korf 2 (1915) beschouwde hij zelf als de kroon op zijn werk. Met de hoogst originele stijl en inhoud van deze boeken luidde hij een nieuw tijdperk in de literatuur in, waarvoor hij nu pas de eer lijkt te krijgen die hem toekomt.

Het literaire klimaat rond de eeuwwisseling werd beheerst door een voorgevoel van het einde van de Europese cultuur. In die omstandigheden herleefde de belangstelling voor religie. Niet alleen de christelijke religie, maar ook andere godsdiensten, antroposofie en de geschriften van Nietzsche, oefenden invloed uit op de nieuwe beweging van Russische religieuze filosofen, die behalve denkers ook vaak schrijvers waren.

In tegenstelling tot de literatuur uit de negentiende eeuw die een maatschappelijke grondtoon had, legden deze schrijvers juist de nadruk op het eigen ‘ik’, de individualiteit. Hierin was Dostojevski hen voorgegaan met zijn Aantekeningen uit het ondergrondse, waarin hij de hoofdpersoon het hele boek door over zichzelf laat praten. In één lange monoloog verzet deze zich cynisch en wanhopig tegen het conformisme en pleit voor een onvoorwaardelijke persoonlijke vrijheid. Rozanov heeft deze traditie van Dostojevski voortgezet in zijn trilogie, die wel ‘het einde van de literatuur’ is genoemd. Onderwerp van die boeken is de ontdekking en openbaring van zijn ‘ik’, waarbij hij Dostojevski in openhartigheid nog overtreft. Bovendien had hij een zelfde hekel aan alles wat gematigd, neutraal en objectief was: ‘Ik hou van het ongerijmde, het dwaze; ik ben weg van alles wat ongehoord is. Ik haat alleen het regelmatige, het correcte, het monotone, het zoals iedereen.’

 

Het werk van Dostojevski heeft Rozanov gefascineerd vanaf het moment dat hij er voor het eerst mee in aanraking kwam. Wat hem er vooral aan beviel was de afwezigheid van literaire gekunsteldheid. Uit de mond van een schrijver die later zou beweren dat hij zijn huishoudboekje van grotere poëtische waarde vond dan de brieven van Toergenjev aan diens geliefde, is dat de hoogste vorm van lof. Toen hij dan ook op zijn achttiende kennismaakte met de vroegere minnares van Dostojevski, de zestien jaar oudere Appolinaria Soeslova, greep hij de omgang met haar vooral aan om dichter bij zijn idool te komen.

Soeslova was een buitensporige en sterke persoonlijkheid, die een grote rol heeft gespeeld in het leven van Dostojevski. Door haar heeft hij een kant van zichzelf leren kennen die hij tot dan toe ontkend had: zijn ‘ondergrondse’ ik, vol grillen, twijfels, spot en beledigingen. Zij heeft model gestaan voor alle opstandige en trotse vrouwenfiguren uit zijn werk. Het is een raadsel waarom Soeslova, die de huwelijksaanzoeken van Dostojevski steeds had afgewezen, haar jawoord gaf aan Rozanov. De onervaren student met aspiraties om filosoof te worden, leek geen enkele partij voor haar; toch trouwden zij in 1880. Soeslova gaf haar zelfstandige bestaan op voor een man, wiens denkbeelden zij verachtte en die zij een ‘miezerige pseudofilosoof’ noemde.

Na hun huwelijk nam Rozanov een baantje als leraar aardrijkskunde en geschiedenis in de provincie aan om zijn vrouw te kunnen onderhouden. Voor het onderwijs bleek hij volkomen ongeschikt: de orde en netheid die hij zijn leerlingen moest bijbrengen, waren hem wezensvreemd. Bovendien kwam hij voortdurend in botsing met leerlingen, ouders en schoolbestuur. Hij trok moeilijkheden aan als een romanfiguur van Dostojevski. Ook zijn huwelijksleven verliep stormachtig. Soeslova verliet hem uiteindelijk na zes jaar samenzijn, zonder zich officieel van hem te laten scheiden. Tot aan haar dood in 1918 volhardde zij daarin, tot verdriet van Rozanov. wiens tweede huwelijk daardoor onwettig bleef.

 

Wat Rozanov in die moeilijke jaren op de been hield, was het werk aan een boek waarmee hij dacht een nieuwe filosofische richting in te slaan. In 1886 verscheen het onder de titel Over het begrijpen. Het lijvige boekwerk telde meer dan zevenhonderd bladzijden en was een regelrecht fiasco. Het werd zo slecht verkocht dat de uitgever de gedrukte vellen gebruikte als pakpapier. Ontgoocheld maakte Rozanov de overstap van filosofie naar literaire kritiek en journalistiek.

Zijn tweede boek over de religieuze gisting onder de Russische intelligentsia, door Dostojevski in gang gezet, was een groot succes. Rozanov begreep dat hij om naam te maken als publicist moest zien weg te komen uit de door hem gehate provincie. Dat lukte hem uiteindelijk in 1893 met de hulp van de befaamde conservatieve criticus Nikolaj Strachov. Met zijn nieuwe vrouw Varvara Roednjova, in alle opzichten de tegenpool van de flamboyante Soeslova, verhuisde hij naar Petersburg. Daar werd hij ambtenaar van de Staatscontrole, een baan die hij zou houden tot hij in 1899 fulltime journalist en schrijver werd.

In dat jaar trad hij toe tot de redactie van de reactionaire krant Novoje Vremja, het grootste dagblad van Petersburg dat het best betaalde. Daarin ontpopte hij zich al gauw tot een rasjournalist: door iedere dag te moeten schrijven over willekeurig welk onderwerp leerde hij kort en puntig formuleren. Rozanov schreef venijnige, ironische stukken en had oog voor alle facetten van de werkelijkheid. Het feit dat hij verbonden was aan een reactionair blad en daarin overeenkomstige meningen moest verkondigen, hinderde hem niet om in liberale bladen – even oprecht – vrijzinniger opinies te verkondigen. ‘Ik heb er volkomen maling aan wat voor stukken ik schrijf, rechts of links. het is allemaal flauwekul en betekent niets,’ verklaarde hij later in zijn trilogie.

 

De tegenstrijdigheid van zijn standpunten leverde Rozanov veel vijanden op. Maar ook zijn vrienden wist hij keer op keer te shockeren met zijn ongewone denkbeelden. Waarover schreef Rozanov dan? Het centrale thema van al zijn werk is de tegenstelling tussen God en seks. Dat goddelijkheid en verliefdheid onverenigbaar waren, vond hij onverteerbaar en dat was volgens hem te wijten aan het christelijke schaamtegevoel. Zijn afkeer van het christendom werd nog verder aangewakkerd door het feit dat hij niet voor de kerk kon hertrouwen zolang hij niet van zijn eerste vrouw was gescheiden. Het christendom beschouwde hij als de godsdienst van de dood, de Oosterse godsdiensten en het Judaïsme daarentegen als godsdiensten van het leven. Hij maakte een onderscheid tussen de religie van God de Vader (de vrolijke religie) en die van God de Zoon (de duistere religie) en pleitte voor een nieuwe fallische godsdienst zonder christelijke schaamte.

Zijn gedachten over seks sprak hij uit met een openhartigheid die volkomen in strijd was met de heersende moraal. Zo was hij voorstander van een vorm van prostitutie voor vrouwen ‘die niet bestand waren tegen de huichelachtigheid van de monogamie’, noemde hij het gezin ‘de meest aristocratische levensvorm’ en met zijn pathetische uitroep: ‘Ik wil de hele wereld voortdurend zwanger zien’ bestempelde hij de voortplanting als het belangrijkste mysterie van het huwelijk. Met moraal als zodanig had hij niet veel op, hoewel hij zich niet immoreel gedroeg (de filosoof Berdjajev noemde Rozanov zelfs een geniale burgerlul).

‘Mijn geschriften zijn niet vermengd met water of zelfs met bloed, maar met menselijk zaad’, schrijft hij uitdagend. Toch heeft niemand vóór hem zo verheven en kuis over seks geschreven. Voor Rozanov zijn de seksuele organen de belichaming van de menselijke ziel, waardoor wij met God verbonden zijn: ‘De band van seks met God is groter dan die van het verstand met God, zelfs dan de band van het geweten met God’. Rozanov probeerde seks een religieuze grondslag te geven; daarin was hij de tegenpool van Freud.

 

Vanwege zijn strijd met het christendom wordt Rozanov wel eens de Russische Nietzsche genoemd. Toch is er tussen die twee een groot verschil. Nietzsche doet het christendom denigrerend af als religie van de zwakken, terwijl Rozanov juist houdt van de zwakken. Nietzsches idee van een sterke persoonlijkheid die boven de massa staat, de Übermensch, was Rozanov volkomen vreemd. Deze ‘filosoof van de kleine man’ wilde juist deel uitmaken van de massa en benadrukte voortdurend zijn eigen alledaagsheid.

Rozanov is uitgemaakt voor de duivel in eigen persoon, de antichrist, een antisemiet, een pornograaf. En voor al die beschuldigingen zijn citaten te vinden in zijn werk. Maar meestal ook voor het omgekeerde. Met andere citaten kan je hem een streng theoloog, een filosemiet en een keurige huisvader noemen. Daarin schuilt het geheim van zijn wezen: je moet Rozanov in zijn geheel beoordelen, nooit op afzonderlijke uitspraken. Wat hij op de ene pagina ontkent, bevestigt hij drie bladzijden verder. Zijn gewoonte om tegen alles en iedereen in te gaan, komt voort uit zijn onwil zich te schikken in wat voor beperkingen dan ook. Hij is een principiële dwarsligger en neemt het voortdurend op tegen de openbare mening. Toch schreef hij nooit tegen zijn geweten of principes in. Hij geloofde in de metafysica van de ziel: ‘de ziel is onmetelijk en wil het onmetelijke’. Hij was niet uit op succes of invloed op de publieke opinie. ‘Wat voor invloed ik zou willen met mijn schrijverschap? De ziel verdiepen. En overtuigingen, daar heb ik maling aan.’

 

De ziel verdiepen, dat is wat Rozanov heeft nagestreefd in zijn unieke trilogie. Aanleiding tot die boeken was een ingrijpende gebeurtenis in zijn privéleven. Zijn vrouw kreeg een beroerte die haar gedeeltelijk verlamde; tot aan het einde van haar leven zou zij aan bed geluisterd blijven. Rozanov kampte met een enorm schuldgevoel. Hij dacht dat zijn vrouw door God gestraft werd omdat hij tegen het christendom had geschreven. Hij verweet zichzelf haar verwaarloosd te hebben omwille van de literatuur, waaraan hij zoveel tijd had besteed.

Uit verdriet en angst haar te verliezen, begint hij hoogstpersoonlijke invallen en ideeën te noteren. Het zijn overpeinzingen over religie, seks, dood, politiek, literatuur, revolutie en het alledaags bestaan. Hij noteerde ze op losse blaadjes die hij op een stapel gooide. Pas later ontstond het idee ze te bundelen. In deze bewust onsamenhangende notities, die afwisselend het karakter hebben van een dagboek, een familiealbum, lyriek en memoires, bleek hij zich volkomen natuurlijk te kunne uiten en zichzelf tegenspreken.

 

Het verdriet om zijn vrouw bracht hem dichter tot Christus, als laatste hoop op redding. Daardoor behoren Solitaria en Gevallen bladeren tot zijn meest christelijke geschriften, en dus – zo werkt Rozanovs logica – tot zijn meest antisemitische. De heidense Rozanov houdt van de joden, de christelijke haat ze. Zijn leven lang heeft hij op papier beurtelings strijd gevoerd tegen het christendom en de joden, en ze op een voetstuk gezet. In zijn laatste, onvoltooid gebleven boek, De apocalyps van onze tijd, dat als een soort schrijversdagboek in kleine afleveringen is verschenen tussen 1917 en 1918, heropent hij de aanval op het christendom en vraagt hij de joden openlijk om vergeving voor alles waarvan hij ze heeft beschuldigd. Aan dat boek schreef hij in zijn laatste levensjaren die hij, door de Revolutie aan de bedelstaf geraakt, sleet in een orthodox klooster. Van daaruit voer hij voor het laatst heftig uit tegen de figuur van Christus. Die was volgens Rozanov de hoofdschuldige aan de Russische Revolutie, die als een soort apocalyps een einde zou maken aan de beschaving.

 

Rusland en de Revolutie zijn ook onderwerp van bijtende spot in zijn trilogie: ‘Russische opschepperij en Russische luiheid die samen de wereld willen veranderen – dat is de revolutie. De revolutie heeft twee maten – lengte en breedte, maar een derde ontbreekt – diepte. Eigenliefde en wrok – daar is de revolutie een mengsel van.’ Het is om dit soort uitspraken dat het werk van Rozanov in zijn vaderland lange tijd is doodgezwegen. Maar aan diezelfde uitspraken dankt hij nu zijn populariteit. Rozanov steekt de draak met mensen die alleen maar oog hebben voor politiek en ideologie. Van één ding was hij zich heel goed bewust: ‘De mens maakt de geschiedenis niet; hij leeft en doolt rond in de geschiedenis zonder te weten waarom en waarheen.’

Zijn polemische uitvallen – een uitvloeisel van zijn journalistieke werk – zijn op het grove af; hij scheldt en bakkeleit in plaats van argumenten aan te dragen. Al zijn notities zijn geschreven in spreektaal en op spreektoon. Door zijn cynisme wordt Rozanov beschouwd als een onfatsoenlijke schrijver. Maar zelf schrijft hij: ‘Cynisme uit lijden?... Heeft u daar wel eens aan gedacht? Onder het mom van grofheid gaan goedheid, schoonheid en lyriek schuil.'

Een van de grote verdiensten van Rozanov is dat hij de hoogste metafysica of mystiek heeft weten te verbinden met de gewone en tastbare dingen uit het dagelijks leven: hij vergeleek de literatuur met zijn broek, zijn gedachten met kapotte overschoenen, zijn ziel met een rafelende katoenen draad. Rozanov heeft het eeuwige verbonden met het kortstondige: ‘Ik heb het alleronbenulligste, het allervergankelijkste in de literatuur geïntroduceerd, de onzichtbare bewegingen van de ziel, de spinnenwebben van het dagelijks bestaan.’

 

Rozanov heeft niet de pretenties van een profeet of een leraar. Hij doet niet meer dan zijn twijfels en zijn aarzelingen blootleggen, en dat is wat het grote en tijdloze van zijn werk uitmaakt. In Solitaria heeft hij zichzelf en zijn betekenis raak geformuleerd: ‘…misschien ben ik wel een dwaas (dat gerucht gaat), misschien wel een schoft (dat zegt men), maar bij niemand vóór mij is zo’n breedheid van ideeën, zo’n onmetelijkheid van opdoemende horizonnen te vinden als bij mij. En ik heb het allemaal zelf bedacht – geen jota is geleend. Verbazingwekkend. Ik ben werkelijk een verbazingwekkend mens.’

 

1991

Kristien gezien door Mark