Hij wilde het onvervulbare

In zijn gloriedagen was Majakovski een imposante verschijning. Zijn reusachtige postuur gehuld in dandy-achtige outfit, zijn grote hoofd kaalgeschoren – zo vertoonde de dichter zich aan het veelkoppige publiek dat hij wist te betoveren met de overrompelende voordracht van zijn verzen.   Al in zijn arme beginjaren hield hij ervan zich opvallend uit te dossen. Hij knoopte een geel lint van zijn zuster om als das en droeg een geel-zwart gestreept hemd.

Vladimir Majakovski werd in 1893, honderd jaar geleden, geboren als jongste zoon van een houtvester in Georgië. Hij groeide op in een tijd van politieke gisting en gaf al vroeg blijk van een verregaande betrokkenheid bij de maatschappelijke onrust. Na de dood van zijn vader in 1906 verhuisde het gezin naar Moskou, waar de jonge rebel demonstraties begon bij te wonen en lid werd van een marxistische studiekring. In 1908 sloot hij zich aan bij de bolsjewieken en dook hij de illegaliteit in. Hij schreef en verspreidde revolutionaire proclamaties en werd tot drie keer toe gearresteerd wegens wapenbezit en werk op een clandestiene drukkerij. De laatste keer kostte hem dat elf maanden isoleercel.

Het was in die periode van eenzame opsluiting dat de autodidact Majakovski de literatuur ontdekte. Maar erg onder de indruk was hij niet van Byron, Shakespeare en Tolstoj, noch van de moderne dichters van zijn tijd. Hun thematiek was hem wezensvreemd en het ‘gerijmel’ van de symbolisten vond hij niet passen bij een wereld die op instorten stond. In zijn autobiografie luidt het: ‘Degenen die ik had gelezen waren de zogenaamde groten. Maar hoe makkelijk was het om beter te schrijven dan zij.’

Het ego en de geldingsdrang van de dichter in spe waren van dezelfde maat als zijn postuur. Hij verliet de gevangenis met het heilige voornemen socialistische kunst te maken. Maar het dichten ging hem vooralsnog slecht af en hij meldde zich aan als student bij de Academie van Beeldende Kunsten. Daar ontmoette hij de tien jaar oudere schilder/dichter David Boerljoek, voorman van de Russische futuristen.

Net als Majakovski was Boerljoek een rebel in hart en nieren die artistieke dogma’s bestreed en revolutionaire ideeën in de kunst introduceerde. Toen Boerljoek ontdekte dat Majakovski gedichten schreef, wierp hij zich op als diens leermeester. Hij betaalde hem vijftig kopeken per dag om te kunnen dichten zonder te verhongeren en wijdde hem in de nieuwste Europese kunststromingen in.

Majakovski heeft een eigen aspect aan het Russische futurisme toegevoegd. Hij vond dat de dichter een maatschappelijke taak had en door middel van politieke propagandaverzen moest bijdragen aan een radicale hervorming van het alledaagse bestaan. Het leeuwedeel van zijn oeuvre bestaat uit dat soort poëzie. Maar tegelijkertijd kon hij de stem van de lyricus in zich niet onderdrukken. Die gespletenheid viel Majakovski zwaar en richtte hem uiteindelijk te gronde.

 

Als een van de eersten in Rusland hanteerde Majakovski in zijn gedichten de spreektaal. Hij beschreef aardse verschijnselen als liefde, pijn, honger, sociaal onrecht in alledaagse woorden. Karakteristiek voor zijn poëzie is een ongewoon lenig en dreunend ritme. Ritme beschouwde hij als de oerkracht van het vers. Zijn versregels liet hij schuin over de pagina weglopen:

Oorstreling,

                           woordmuziek –

                                                 ik zag ze nooit als taak.

De poëzie van Majakovski is er een van uitroeptekens. Zijn gedichten komen het meest tot hun recht als ze hardop worden gelezen. Marina Tsvetajeva beschreef het lezen van Majakovski als een uitputtingsslag: ‘Majakovski lang achter elkaar lezen is niet uit te houden door de zuiver fysieke krachtsinspanning ervan. Na Majakovski heb je een lange copieuze maaltijd nodig. Of je moet lang slapen.’

Iedereen kan Majakovski’s verzen begrijpen. De inhoud is gemakkelijk na te vertellen. Maar in zijn streven de spreekbuis te zijn van de hele mensheid overspeelde Majakovski regelmatig zijn hand. De fijnzinnige dichter Chodasevitsj –in alle opzichten zijn tegenpool– schreef bij de dood van Majakovski venijnig: ‘Hij heeft het verfijnde gebanaliseerd, het ingewikkelde vereenvoudigd, het subtiele vergroft en het verhevene naar beneden gehaald en vertrapt.’

 

Tussen 1914 en 1917 schreef Majakovski vier grote lyrische gedichten: Wolk in broek, Ruggegraatsfluit, Oorlog en heelal en Mens, die alle vier zijn opgedragen aan zijn grote liefde: Lili Brik. Wolk in broek was al geschreven voordat hij haar leerde kennen en het was dit gedicht dat zijn leven ingrijpend heeft veranderd.

De Wolk was geïnspireerd door een vrouw die Majakovski had ontmoet tijdens een futuristische tournee in Odessa. Zoals vaak –Chodasevitsj spreekt van de ‘woeste gulzigheid waarmee Majakovski vrouwen bekeek’– werd de dichter op slag verliefd. Maar zijn liefde was gedoemd te stranden vanwege het klasseverschil. De liefde die stukloopt op de banale werkelijkheid zou het thema worden van al zijn lyrische dichtwerk.

De ongewone kracht en originaliteit van de Wolk overdonderde Osip en Lili Brik. Majakovski werd in juli 1915 aan dit echtpaar voorgesteld door Lili’s jongere zuster. De Briks behoorden tot de welgestelde joodse bourgeoisie en leidden een rusteloos renteniersbestaan. Osip hield zich onledig met een rechtenstudie en koketteerde met het marxisme. Lili had in München een cursus beeldhouwen gevolgd en doodde de tijd met balletlessen.

Tijdens zijn eerste bezoek aan de Briks in Petrograd droeg Majakovski tussen de schuifdeuren zijn Wolk voor. In één klap ontwaakte het paar uit zijn lethargie: Osip Brik besloot diezelfde avond nog Majakovski’s uitgever te worden en bood de dichter vijftig kopeken per regel. De aantrekkelijke Lili raakte volledig in de ban van de 22-jarige poëziereus en de dag daarna werd zij zijn minnares.

Jarenlang was het drietal onafscheidelijk. Osip Brik stond zijn vrouw, met wie hij geen seksuele relatie meer had, ruimhartig af aan de dichter. Hij bewonderde Majakovski zo mateloos dat hij hem zelfs begon te imiteren. Zijn manier van lopen, maar ook zijn manier van schrijven. Later ontwikkelde Brik zich tot een poëzietheoreticus van formaat.

Lili ontfermde zich over de armeluispoëet. Zij liet hem zich wassen, zijn haar knippen en stuurde hem naar de tandarts om zijn verwaarloosde gebit te laten opknappen. Samen flaneerden zij door de straten van Petrograd; hij met hoge hoed en wandelstok, zij met een grote hoed getooid met veren.

Majakovski’s liefde voor Lili Brik is altijd groter geweest dan haar liefde voor hem. In feite kreeg zij al gauw genoeg van de dichter, die haar overweldigde met zijn emoties. Overgevoelig en onevenwichtig als hij was, verviel Majakovski regelmatig in buien van jaloezie en grote somberheid. Het feit dat hij Lili Brik moest delen met haar man was voor hem onverteerbaar. Toch stond dat zijn vriendschap met Osip niet in de weg.

Lili Brik vertelt in haar memoires dat Majakovski buitengewoon veeleisend was in de omgang en dat hij zelden of nooit echt gelukkig was. Hij wilde het onvervulbare: gelezen worden door degenen die hem niet lazen, in gezelschap verkeren van afwezigen, bemind worden door de enige vrouw die niet van hem leek te houden.

Die vertwijfeling heeft Majakovski meermalen op de gedachte van zelfmoord gebracht. Daarvoor zijn in zijn gedichten tal van aanwijzingen te vinden. In de proloog van Ruggegraatsfluit schrijft hij bijvoorbeeld:

Steeds vaker bedenk ik –

                       ware het niet beter

                                        er een kogelpunt achter te zetten?

In 1916 voegde hij de daad bij het woord. Hij belde zijn geliefde op om afscheid te nemen. Toen zij geschrokken arriveerde, bleek dat er maar één kogel in zijn pistool zat en dat het schot was geketst. In 1930 zou datzelfde roulettespel fataal blijken.

 

De revolutie van 1917 kwam voor Majakovski als geroepen. Zijn profetie van een nieuwe aarde en een nieuwe mensheid uit het gedicht Oorlog en heelal leek bewaarheid te worden. De revolutie verdreef Majakovski’s neerslachtigheid en gaf hem nieuwe kracht. ‘Hij stapte de revolutie binnen als zijn huis,’ zoals zijn vriend Viktor Sjklovski het uitdrukte. Majakovski schoor zijn hoofd kaal –wat bij hem een teken van vreugde was– en verslingerde zich aan de revolutie. Voortaan schreef hij niet meer over de liefde, maar maakte hij propaganda voor de nieuwe Sovjetstaat. Hij werd de profeet van de communistische heilstaat.

In de jaren die volgden schreef en schilderde Majakovski aan de lopende band zogeheten Rosta-vensters: berijmde propagandaleuzen met tekeningen. Lili Brik hielp bij het inkleuren van de illustraties. Terwijl Majakovski onvoorwaardelijk geloofde in de utopie van de nieuwe maatschappij, was haar toewijding heel wat minder gratuit. ‘In mijn ziel ben ik een communist, maar in mijn lichaam ben ik heel erg bourgeois,’ liet zij zich eens ontvallen.

Deze capricieuze vrouw had inmiddels haar bekomst van de gekwelde minnaar. Zij was op Majakovski uitgekeken en verlangde naar een nieuwe flirt. In 1922 zette zij de dichter aan de kant. Majakovski, voor wie de liefde totaal was en voor altijd, trok zich terug. Zijn geschokte gevoelens verwerkte hij in het gedicht Daarover, dat hij als zijn meesterwerk beschouwde.

Daarover verhaalt van de eenzame dichter die zijn liefde ziet stuklopen op de alledaagsheid, waarin de revolutie geen enkele verandering had kunnen brengen. De dichter verwijt zichzelf dat hij jaloers is op de vrouw die niet meer om hem geeft. Als enige oplossing ziet hij de vestiging van een heel nieuwe maatschappij, die gebaseerd is op liefde. Zo’n paradijs is alleen pas denkbaar in een verre toekomst als resultaat van een nieuwe revolutie, maar nu van de geest.

 

Majakovski had zijn dromen van een nieuwe harmonie van mens en maatschappij na de revolutie in rook zien opgaan. In de jaren van Lenin’s Nieuwe Economische Politiek (1923-25) stak de Sovjetbureaucratie de kop op en omkoperij, protectie, verspilling en vandalisme tierden welig. Het waren moeilijke tijden voor een idealist. Majakovski verdiende zelf trouwens aardig aan de nep. Samen met Osip Brik verhuurde hij zich als tekstschrijver aan het staatswinkelbedrijf Mosselprom. Hij schreef van alles: van teksten op toffeewikkels, waarin hij opriep niet op de zwarte markt te kopen maar in de staatswinkel, tot reclame voor sparen: ‘Ieder die verstandig leeft, zorgt dat hij een premielening heeft.’

Toch was hij door de alom oprukkende verburgerlijking en de bureaucratisering van het partijapparaat hevig teleurgesteld geraakt in de revolutie. In zijn toneelwerken Het badhuis en De wandluis laat hij zijn verbittering daarover de vrije loop. Dat wekte de toorn op van de marxistische critici die hem van alle kanten bekritiseerden. Om aan die kritiek te ontsnappen maakte Majakovski talrijke reizen naar het buitenland. Daar trad hij op met zijn gedichten en bleef hij trouw fungeren als propagandist van het communisme.

In eigen land gold hij, ondanks de enorme populariteit die zijn publiek optreden genoot, bij zijn leven zeker niet als de Sovjetdichter bij uitstek. Daartoe werd hij pas vijf jaar na zijn dood uitgeroepen door Stalin, die verordonneerde dat onverschilligheid jegens Majakovski’s nagedachtenis en zijn werk gold als een misdaad. Majakovski werd gebombardeerd tot hèt voorbeeld voor alle Sovjetdichters, nadat eerst alle oneffenheden uit zijn oeuvre waren gladgestreken. Zijn futurisme werd afgedaan als een jeugdzonde, zijn lyrische gedichten werden weggemoffeld.

In zijn laatste –onvoltooid gebleven– poëem Luidkeels maakt Majakovski, moegestreden en ontgoocheld, de balans op van zijn dichterschap en ontstijgt hij aan iedere artistieke of politieke stellingname.

                 Agitprop

                             heeft ook mij

                                                de das omgedaan.

                 Ook ik

                           had liever

                                         romancen gezongen.

                 Het was fraaier geweest

                                                    en ook lucratiever.

                 Maar ik heb

                                  mijzelf

                                            bedwongen

                 Door op de keel

                                        van mijn eigen lied

                                                                   te gaan staan.

 

Op zijn sterfbed had Majakovski een grimmig en van woede vertrokken gelaat. Over de motieven van zijn zelfmoord is veel gespeculeerd. Lili Brik verklaarde dat hij de gedachte aan oud worden niet kon verdragen. Marina Tsvetajeva verwoordde zijn daad zo: ‘Twaalf jaar achter elkaar heeft de mens Majakovski in zich de dichter Majakovski vermoord. In het dertiende jaar stond de dichter op en vermoordde de mens.’

 

1993

Kristien gezien door Mark