De adelaar in de badkuip

Toen Vladimir Nabokov in mei 1940 met vrouw en kind de haven van New York binnenvoer op het stoomschip de Champlain, was er in Amerika nauwelijks iemand die van hem had gehoord. In de Russische emigrantenwereld van Berlijn en Parijs, die de atletische en elegante veertiger Nabokov achter zich liet, had hij in twintig jaar tijd de reputatie opgebouwd van literaire vernieuwer en meest getalenteerde kronikeur van het emigrantendom. Zijn roman Glorie was zelfs het cultboek van de jonge Russische ballingen. Met een gevoel van ‘afkeer en verveling’, zoals hij later in zijn autobiografie schreef, verliet hij West-Europa waar hij altijd een buitenstaander was geweest. Hij had er zich als Rus omringd gevoeld door Franse en Duitse ‘cellofaanfiguren’, met wie geen ‘communicatie van het menselijke soort’ mogelijk was.

Intermenselijk contact was niet bepaald Nabokov’s sterkste kant. Met zijn arrogantie hield hij mensen op afstand. Ook in artistieke zin had hij geen behoefte om ergens bij te horen. Hij vond al vroeg een eigen, ongebruikelijke stijl die hem vervreemdde van de meer traditioneel ingestelde Russische emigrantenschrijvers. De meesten van hen vonden hem kil en onsympathiek. Nabokov’s reputatie van scherprechter groeide met de jaren, zodat hij in een bbc-interview uit 1977 spotte: ‘Mijn personages krimpen ineen wanneer ik op hen afkom met mijn zweep. Ik heb een hele laan vol denkbeeldige bomen hun blad zien verliezen bij mijn nadering.’

 

Nabokov stamde uit een welgestelde Petersburgse familie. Nabokov père was de zoon van een minister van Justitie onder tsaar Aleksander III, die bij zijn pensionering een adellijke titel versmaadde in ruil voor een vorstelijk pensioen; Vladimir’s moeder bracht een miljoenenerfdeel uit de Siberische goudmijnen mee. Zelf erfde vn op zijn zeventiende het vermogen van een homoseksuele oom die een oogje op hem had, zodat hij in één klap multimiljonair werd. Maar hij raakte dat vermogen even snel weer kwijt: tijdens de revolutie, die een jaar later uitbrak, werd zijn bezit onteigend. In 1919 vluchtte de gehele familie Nabokov, volkomen geruïneerd, naar Engeland.

Na zijn studie Frans en Russisch in Cambridge, voegde Nabokov zich in 1922 bij zijn familie, die twee jaar daarvoor naar Berlijn was verhuisd, waar Nabokov sr. redacteur werd van een Russischtalig dagblad. Het was daar dat Vladimir voor het eerst serieus begon te schrijven. Overdag gaf hij tennisles en lessen Engels. Maar ‘s avonds en ’s nachts, terwijl zijn vrouw en zoon in de enige kamer van het appartement lagen te slapen, sloot hij zich op in de badkamer en schreef, zittend in de badkuip met een plank als schrijfblad. ‘De adelaar in de badkuip’ werd hij achter zijn rug genoemd. Meer dan een van zijn vroege romans is zo op papier gekomen. Het werkelijke leven van Sebastian Knight ontstond – met een kleine variant – op het bidet van een huurwoning in Parijs.

De voorliefde voor badkamers was een familietrekje van de Nabokovs. Zijn vader, die in 1908 een gevangenisstraf moest uitzitten voor het ondertekenen van een revolutionair manifest, nam een opvouwbare Engelse badkuip mee naar de cel. Broer Sergej won op de boot die hem naar de emigratie voerde een weddenschap door met slechts één enkel glas water te baden in een bad dat de vorm had van een rechtopstaande slaapzak. Vladimir bezat ook zo’n model, om zijn dagelijkse bad niet te hoeven missen, maar hij had een paar glazen meer nodig.

De kinderen Nabokov werden drietalig opgevoed, maar hun vader was een echte anglofiel. Zo kwam het dat Vladimir Engels leerde lezen nog voordat hij het Russische alfabet kende. Hij was het troetelkind van zijn ouders; misschien omdat zijn oudste broertje kort na de geboorte was gestorven. Toen bleek dat hij een kind was met een helder verstand, werd hij door hen in alles aangemoedigd. Zijn moeder noteerde verrukt zijn eerste verzen in een album. Ook zijn eerzucht kwam al vroeg naar voren. Toen hij op een keer onvoorbereid op school een voordracht moest houden, sneed hij zich met een scheermes in zijn been. Liever gewond thuis dan dat hij gevaar liep een onvoldoende te halen.

Die eerzucht en zijn kennis van het Engels brachten Nabokov ertoe in 1936 in Parijs te beginnen aan een Engelstalige roman. Hij wist dat hij met zijn joodse vrouw niet veel langer in Europa kon blijven vanwege de oprukkende Duitse horden. Zijn hoop was gevestigd op Amerika, waarheen vele Russische emigranten hem inmiddels waren voorgegaan. En zo betrad Nabokov in 1940 het land van belofte met in zijn koffer het manuscript van zijn eerste in het Engels geschreven roman The Real Life of Sebastian Knight en met een vage toezegging voor een docentschap aan de Stanford University.

 

De Russische gemeenschap in Amerika verschilde sterk van die in Europa. Al snel na aankomst verspreidden de immigranten zich over de uithoeken van het reusachtige land, om daar aan de diverse universiteiten hun taal en cultuur te gaan onderwijzen. In Berlijn en Parijs hadden ze hechte kolonies gevormd in stadswijken die vaak volledig Russisch werden. Daardoor had de emigrantencultuur, vooral vlak na de revolutie in Berlijn, een grote bloei gekend.

Nabokov’s eerste telefoontje in New York was naar de dochter van Tolstoj, Aleksandra, die een fonds beheerde dat Russische immigranten aan een nieuw bestaan hielp. Het eerste dat Aleksandra hem bijbracht over zijn nieuwe vaderland was dat Amerikanen ongeciviliseerde, goedgelovige gekken waren. Toen hij bij ontmoetingen met andere Russen alleen maar soortgelijke uitspraken hoorde, kreeg hij voorgoed zijn bekomst van het benepen wereldje van zijn voormalige landgenoten. Voortaan zocht hij zijn heil bij de Amerikanen, onder wie hij meer vrienden vond dan hij ooit had gehad.

In februari 1941 gaf Nabokov zijn eerste gastcolleges Russische literatuur op het Wellesley College. Die waren zo’n succes dat hij een éénjarige aanstelling kreeg voor het collegejaar 1941-42. Hij zou daar zeven jaar blijven tot hij in 1947 een brief kreeg van Morris Bishop, een hoogleraar Romaanse talen, die hem een professoraat in de Russische literatuur aanbod aan de Cornell Universiteit.

Op Cornell vond Nabokov volledig zijn draai in Amerika. De jaren die hij daar doorbracht – van 1948 tot 1959 – waren zijn meest produktieve. Hij schreef er zijn autobiografie Geheugen, spreek, zijn romans Lolita en Pnin, een boek over Gogol, vertalingen van Het Igorlied (een Russische middeleeuwse tekst) en van Poesjkin’s roman in verzen Jevgeni Onegin. En natuurlijk gaf hij er zijn vermaard geworden colleges Russische en Westeuropese literatuur. Nabokov was een onorthodoxe leraar. Liever dan zijn studenten op te leiden tot critici, wilde hij ze leren lezen. Dat deed hij door hen aandacht bij te brengen voor de kleinste details van de literaire meesterwerken die hij behandelde. Bij Ulysses tekende hij bijvoorbeeld een plattegrond van Dublin op het bord en gaf hij aan hoe de verschillende personages elkaars pad kruisten. Bij Anna Karenin(a) – die laatste a was volgens hem een hardnekkige vertaalfout – schetste hij het kostuum waarin Anna tenniste. Door die aanpak werden zijn colleges zo populair dat hij het grootste aantal studenten op de campus had.

Voor de keuze van Westeuropese auteurs ging hij te rade bij de invloedrijke criticus Edmund Wilson. Toen die hem, naast Dickens, Jane Austen aanbeval als grote Engelse schrijvers voor zijn colleges antwoordde Nabokov dat hij bevooroordeeld was jegens alle vrouwelijke schrijvers: ‘Die zijn van een andere klasse.’

Al had hij dan niet veel op met vrouwelijke schrijvers, hij liet zich wel van jongs af aan in verzoeking brengen door vrouwelijk schoon. In zijn autobiografie beschrijft Nabokov hoe hij al op zijn vierde verliefd werd. Op zijn zestiende betrapte een bediende hem in de tuin met een vriendinnetje. Zij was de eerste van een onafzienbare rij. Die periode noemt hij later fijntjes ‘een onmatige fase van sentiment en genotzucht die een jaar of tien zou duren’.

In 1925 trouwde hij met Verá Slonim, die hij had leren kennen op een gemaskerd bal in Berlijn. Het huwelijk maakte niet direct een einde aan zijn amoureuze escapades, hoewel die langzaam afnamen. Zijn laatste grote passie voor zijn vertrek naar Amerika betrof een vrouw die sprekend op Verá leek en die bekend stond om haar bijtende ironie.

Met haar stugge en onwrikbare karakter heeft Verá Nabokov haar man door dik en dun gesteund, zowel in de jaren van materiële nood in Europa als later in Amerika, waar hij zich meer dan eens over de kop werkte. Verá was Nabokov’s manusje-van-alles: zij tikte zijn manuscripten, deed zijn correspondentie, speelde voor zijn chauffeur en, zodra zoon Dmitri op eigen benen stond, begeleidde zij hem naar zijn colleges op Cornell en viel zelfs voor hem in wanneer hij ziek was.

 

In het begin konden de Nabokovs in Amerika maar nauwelijks rondkomen. Het bescheiden salaris dat vn voor zijn colleges kreeg, stond in geen verhouding tot de hoeveelheid werk die hij ervoor verrichtte. De resterende tijd besteedde hij aan zijn eigen werk. Wanneer Nabokov aan een roman begon, bedacht hij eerst de plot. Daarna schreef hij de tekst op archiefkaarten, die zijn vrouw later voor hem uittikte. In de eerste jaren had geen van zijn boeken in Amerika succes. Zijn autobiografie, waarvan in 1951 de eerste versie verscheen, werd door de kritiek wel enthousiast onthaald, maar vond nauwelijks lezers.

Tegenwoordig – nu Nabokov gecanoniseerd is – is dat nauwelijks nog voorstelbaar, maar een verklaring is er wel. De meeste van zijn romans hebben een opzettelijk geconstrueerd karakter. Nabokov speelt voortdurend een spel met zijn lezer. Als een ware illusionist spiegelt hij hem steeds nieuwe invalshoeken voor. Zijn boeken zijn een superieure vorm van intellectueel entertainment, die veel van de lezer eist. Dat is de reden dat zijn publiek aanvankelijk beperkt bleef tot een kleine kring van academici – mensen voor wie de waarheid sowieso al niet eenvoudig is – die de moeite nam Nabokov’s puzzels op te lossen.

Een uitzondering op Nabokov’s bloedeloze romanfiguren is Timofej Pnin, een Russische professor die naar Amerika is geëmigreerd en daar met zijn nieuwe bestaan worstelt. Nabokov begon aan Pnin in 1953 om te ontsnappen aan de ban van Lolita, het boek dat hij zojuist had voltooid. Omdat hij wel begreep dat deze ‘mysterieuze, hartverscheurende roman’ – zoals hij Lolita zelf noemde – over de liefde van een oudere man voor een meisje van twaalf voorlopig niet gepubliceerd kon worden in het puriteinse Amerika, schreef hij een boek dat bestond uit hoofdstukken die afzonderlijk konden worden voorgepubliceerd.

In zeven hoofdstukken flitsen episoden uit het leven van Pnin voorbij. Van zijn hink-stap-sprong avonturen om op tijd een afgelegen college te bereiken waar hij wordt verwacht voor een lezing, tot zijn gestuntel met vrouwen. Nabokov was zelf nogal ingenomen met zijn romanfiguur: ‘Met Pnin heb ik een volkomen nieuw personage geschapen, zoals nog nooit in enig boek is voorgekomen.’ Hij vond hem van een grote morele zuiverheid. Misschien was Pnin voor hem wel de enige in de stoet van zijn geesteskinderen die zijn eigen ideaalbeeld benaderde.

Pnin, wiens tragikomische belevenissen nu eens geen dubbele bodems bevatten, sloeg ook aan bij de lezers. De voorpublikaties in the new yorker bezorgden Nabokov stapels fanmail. Maar toen hij voor het voltooide manuscript een uitgever zocht, werd hij tot twee keer toe afgewezen. Ze vonden Pnin geen roman; het manuscript was te kort en vormde geen organisch geheel. Toen het boek uiteindelijk toch in produktie ging, bleek het een doorslaand succes. Twee weken na verschijning in 1957 werd de tweede druk opgelegd.

Eén lezer was niet bepaald ingenomen met Pnin. Dat was de Russische dichteres Anna Achmatova, die woedend werd om de manier waarop Nabokov haar gedichten had geparodieerd. Nabokov laat de ex-vrouw van Pnin, een psychiater, een gedichtenbundel schrijven getiteld Droge lippen, waaruit hij twee Achmatova-pastiches citeert die hij tot de grond toe afkraakt. Achmatova voelde zich onsterfelijk beledigd. Zo niet Marc Szeftel, een docent Russisch op Cornell, die duidelijk model had gestaan voor Pnin. Hij nam er zo weinig aanstoot aan dat hij, toen ze samen in de lift stonden, tegen zijn spotvogel verzuchtte: ‘Ve arre all Pnins’.

Het succes van Pnin woog voor Nabokov niet op tegen de teleurstelling dat hij nog altijd geen Amerikaanse uitgever had gevonden voor Lolita, de roman die hij als zijn meesterwerk beschouwde. In 1955 had hij het manuscript laten verschijnen in Parijs bij Olympia Press, een uitgeverij die naast edelpornografie ook werk uitgaf van Samuel Beckett, Henry Miller en William Burroughs dat in Amerika problemen kon verwachten met de censuur.

Uit Nabokov’s brieven blijkt dat hij het niet snel opgaf. Hij bleef zijn manuscript maar rondsturen, overtuigd ‘dat het een serieus kunstwerk is en dat geen rechtbank het voos en vunzig kan vinden’. Zijn brieven uit die periode zijn verschenen in het dikste deel Privé-domein (666 pagina’s) dat ooit verschenen is of zal verschijnen, volgens de flaptekst. Alle motieven uit zijn werk passeren daarin de revue. Menige ingezonden brief aan een tijdschriftredactie die een rel veroorzaakte, is opgenomen. Onmisbare lectuur voor de Nabokovfan. De schrijver zelf komt je uit deze brieven echter niet veel nader. Hij blijft net zo ongrijpbaar als in de drie dikke delen biografie die tot nog toe over hem zijn verschenen. Raadselachtig, ontwijkend, scherp, ironisch en eeuwig in de weer met het vestigen van zijn reputatie.

Op 18 augustus 1958 brak voor Nabokov de victorie aan. Op die dag verscheen Lolita bij Putnam’s in New York. Er ontstond een ware run op de roman waarover al zo lang werd gepraat, maar die niet verkrijgbaar was geweest. Al na drie dagen werd de derde druk aangekondigd en binnen een maand waren er 100.000 exemplaren van verkocht.

 

Niets kon nu de vaart van zijn roem en succes nog stoppen. Nabokov’s eerste verdiensten voor Lolita bedroegen 250.000 dollar. Daar kwam nog eens een bedrag van 150.000 dollar bij voor de filmrechten en 40.000 voor het filmscript dat hij zou schrijven voor Stanley Kubrick. Voor het eerst sinds hij zijn kapitaal verloor in 1917 kon Nabokov zich veroorloven te doen waar hij zin in had. Eindelijk kon hij zich volledig aan zijn werk wijden, en in september 1958 schreef hij dan ook zijn ontslagbrief aan de president van Cornell.

Op 29 september 1959 passeerde Vladimir Nabokov, nu zestig jaar oud en ruim honderd kilo zwaar, andermaal het Vrijheidsbeeld. Deze keer aan boord van de Liberté met bestemming Le Havre, en nu als de wereldberoemde auteur van Lolita. Hij keerde terug naar het Europa dat hij bijna twintig jaar daarvoor had verlaten en waar hij zich nu voorgoed zou vestigen. Vanuit een hotelsuite aan het meer van Genève zou hij tot aan zijn dood in 1977 de wereld vergasten op zijn bijtende commentaren. Hij schreef er nog vier romans en redigeerde een bundel interviews en artikelen, getiteld Strong Opinions. Zijn creatieve hoogtepunt had in Amerika gelegen. Daar had hij zich van de meest Amerikaanse van alle Russische auteurs ontpopt tot een volbloed Amerikaanse schrijver.

 

1993

Kristien gezien door Mark