De lach als geseling

In Rusland is sinds kort een heuse Groenenpartij actief. Een van haar eerste successen was de sluiting van een aantal chemische fabrieken in de omgeving van Moskou. Het gevolg was een totaal gebrek aan zeep, maar ook aan verdelgingsmiddelen zodat de hoofdstad momenteel geteisterd wordt door een omvangrijke rattenplaag. Onder de pen van de satirische schrijver Vladimir Vojnovitsj – een pikeur in het beschrijven van de absurditeit van het sovjetbestaan – zou dit gegeven ongetwijfeld veranderen in een hilarisch verhaal.

Vojnovitsj werd in 1975 op slag bekend met de verschijning in Parijs van zijn schelmenroman De merkwaardige lotgevallen van soldaat Ivan Tsjonkin, die in korte tijd in vijfentwintig talen werd vertaald. Zijn naïeve antiheld Ivan Tsjonkin is een onvergetelijke romanfiguur, die niet ten onrechte is vergeleken met soldaat Schwejk.

De belevenissen van deze simpele, goedgelovige soldaat uit het Rode leger zijn beschreven met een sprankelende humor. Voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog op wacht gezet naast een vliegtuig dat een noodlanding heeft gemaakt op een kolchoz, wordt Tsjonkin door zijn superieuren vergeten. Al snel mengt hij zich onder de dorpsbewoners en wordt in hun gemeenschap opgenomen. Totdat de oorlog uitbreekt en hij in een anonieme brief aan de geheime politie wordt aangegeven als deserteur en landverrader. Dan wordt de jacht op hem geopend.

Het komische van Tsjonkins lotgevallen is dat ze in fel contrast staan tot het propagandabeeld van het leven in die jaren. De Russische autoriteiten verweten Vojnovitsj dan ook vooral dat hij het leven uitbeeldde zoals het was. ‘De literator met de teerkwast’ noemden ze hem. In de jaren die volgden werd hij voortdurend lastig gevallen met provocaties, chantage en bedreigingen, totdat hij in 1980 het land werd uitgezet; sindsdien woont hij in Stockdorf bij München.

Onlangs verscheen Soldaat Tsjonkin eindelijk ook in zijn vaderland, waar het met open armen door de lezers is ontvangen. Van officiële zijde werd bij de publikatie medegedeeld dat Vojnovitsj ‘moedig de fouten van de socialistische maatschappij van zijn tijd heeft gegeseld’.

 

Spelen de belevenissen van soldaat Tsjonkin in het recente verleden, in latere boeken nadert Vojnovitsj steeds meer de tegenwoordige tijd. In De anti-sovjet Sovjetunie, zijn enige non-fictieboek in vertaling (1987), legt hij uit hoe het sovjetbestel werkt, geeft hij staaltjes van omkoperij, diefstal, willekeur en nepotisme, zonder ook maar een moment de indruk te wekken dat hij overdrijft.

Een onthullend hoofdstuk van dat boek is gewijd aan het literatuurbedrijf. De Russische Schrijversbond telt meer dan achtduizend leden die in aparte stadswijken wonen en alle mogelijke privileges genieten. Schrijvers krijgen betaald naar omvang en oplage van hun boeken. De ideologische zuiverheid van een boek bepaalt de oplage. Redacteuren zullen altijd proberen een talentvol manuscript terug te brengen tot een algemeen aanvaard gemiddelde. Protesteert de schrijver, dan wordt zijn boek niet gedrukt.

Een anekdote uit dit boek over het Letterenfonds dat bontmutsen uitdeelt aan zijn leden – hoe belangrijker de schrijver des te beter de bontsoort – heeft Vojnovitsj later uitgewerkt tot een novelle. In dit zojuist bij Meulenhoff verschenen boek, De bontmuts, neemt Vojnovitsj de officiële Russische schrijverswereld grandioos op de hak. Hoofdpersoon van zijn verhaal is de joodse schrijver en oorlogsveteraan Jefim Rachlin. Met deze ridder van de droeve figuur heeft Vojnovitsj een held geschapen van dezelfde portuur als soldaat Tsjonkin.

Rachlin, die alleen maar over positieve helden schrijft, is in zijn romans een groot aanhanger van het socialistisch realisme, een genre dat door Vojnovitsj ooit als volgt is omschreven: ‘de verheerlijking van de boven ons gestelde overheid in een voor haar toegankelijke vorm’. Hij zweert bij titels die uit één woord bestaan zoals Boorgat, Lawine, Breuk, want die kunnen gebruikt worden in kruiswoordpuzzels, wat gratis reclame is voor de auteur. Deze schlemiel wordt terzijde gestaan door zijn vrouw, Zina Koekoesjkina. Met het beeld van deze Koekoekje (haar koosnaam) geeft Vojnovitsj een schitterende parodie op de vrouw van middelbare leeftijd, het angstaanjagende soort dat in de Sovjetunie de dienst uitmaakt. Vlezig, zinnelijk en leeghoofdig, heeft zij grote ambities en streeft een eigen carrière na. Zij drinkt wodka, zingt schuine liedjes, vloekt als een dragonder, hoereert met een generaal, en probeert haar dochter te weerhouden van emigratie naar het historisch vaderland Israël.

Met alles en iedereen wordt de vloer aangeveegd: bijgeloof, antisemitisme, communisme, Westerse radiozenders, kruiperij, dialectiek. Hoogtepunt van het verhaal is de heldendaad van rachlin, die aan zichzelf ontstijgt door zijn beschermer, voor wie hij altijd door het stof heeft gekropen, in zijn vinger te bijten, omdat die weigert hem te helpen een beter soort bontmuts te bemachtigen.

Vojnovitsj heeft nooit een geheim gemaakt van zijn drijfveren: ‘Het grootste, meest zorgvuldig bewaarde geheim van de Sovjetunie is het reële, alledaagse bestaan van de sovjetmensen. Aan de onthulling van dit geheim is mijn werk gewijd.’ Onder al zijn hilariteit is De bontmuts dan ook een uitermate rake zedenschets van de sovjetmaatschappij.

 

1990

Kristien gezien door Mark